Een park aan zee

Lofrede op Twee Vrouwen van Harry Mulisch, dat centraal stond tijdens Nederland Leest 2008.

Het is altijd gevaarlijk om een favoriet boek te herlezen. Een beetje zoals het weerzien van een jeugdliefde. Zal het tegenvallen? Zul je begrijpen wat je er destijds in zag? Of erger nog – zul je tot de ontdekking komen dat niets er ooit meer echt tegenop gekund heeft? En toch waagde ik me opnieuw aan Twee vrouwen van Harry Mulisch, een van de weinige boeken uit mijn middelbare-schooltijd waarvan ik me herinner dat ik het met plezier gelezen heb. Eigenlijk is dat vreemd, want op de lagere school was ik een echt leeskind. Tot mijn beste jeugdherinneringen behoren de eindeloze zondagen en verregende vakanties waarin ik kon verdwijnen in bij voorkeur zo dik en spannend mogelijke boeken. Eens heb ik me zelfs laten opsluiten in de plaatselijke jeugdbibliotheek – per ongeluk, want zo verdiept in een verhaal dat ik de sluitingsbel niet had gehoord. De politie moest er nog aan te pas komen om me te bevrijden. 
Maar eenmaal op de middelbare school veranderde alles. Ik zie onze lerares Nederlands nog voor me. Het haar strijdbaar kortgeknipt, geen spoortje make-up en de pronte gestalte gehuld in een vormeloos, zelfgeverfd paars T-shirt. Op haar bewust behaloze boezem prijkte een button met een vrouwentekentje, een gebalde vuist in het midden. Sinds haar scheiding had ze zich helemaal gestort op haar werk: het ons bijbrengen van de zegeningen van de eigentijdse literatuur. 
Braaf worstelde ik me door haar favorieten heen, al oogden ze niet erg aantrekkelijk, met van die langharige, zwaar bebrilde schrijvers die me vanaf de achterflap tobberig aanstaarden. Terecht, zo bleek, want de alledaagse werkelijkheid die zij geheel volgens de destijds heersende literaire mode zo ‘realisties’ mogelijk beschreven gaf weinig reden tot vrolijkheid. Er gebeurde werkelijk niets in die boeken. En als er al iets gebeurde, was dat ontluisterend, doelloos of ronduit smerig – of dit alles tegelijkertijd. Lachen gebeurde hoogstens met grimmig cynisme, om de verrotte samenleving waarin de personages hun leven sleten. Dat was nog eens andere kost dan de sprookjes uit mijn kinderboekenparadijs. Toen ik de juf bekende dat ik die boeken eigenlijk niet zo heel mooi vond en er zelfs een beetje somber van werd, reageerde ze enthousiast. Dát was nu de essentie van literatuur, legde ze uit: het feilloos beschrijven van het menselijk tekort, de onmogelijkheid van de liefde en de algehele zinloosheid van het bestaan. Op zich al tamelijk onthutsende constateringen voor de vijftienjarige die ik toen was, nog helemaal nieuw en nieuwsgierig naar het leven en de liefde. Maar het allerergste vond ik dat boeken er blijkbaar niet langer waren om aan de verveling van alledag te ontsnappen, maar juist om je daar tot in de diepste vezels van je wezen van te doordringen. 
Helaas, de deuren van de jeugdbibliotheek – waar ik sinds het insluitavontuur toch al niet bijster populair was – waren voorgoed voor mij gesloten. Alleen in de lessen Grieks en Latijn vond ik nog iets terug van de verhalen waar ik zo van hield. Groots en meeslepend, spelend in verre oorden waar de zon altijd scheen – of in ieder geval vaker dan in de grijze provinciestad waar ik opgroeide. 
Achteraf is het dus geen wonder dat Twee vrouwen me destijds wel aansprak. Je hoeft immers geen groot literatuurwetenschapper te zijn om te zien dat Mulisch zich bij het schrijven van dit boek met graagte liet inspireren door allerlei thema’s uit de klassieke mythologie: liefde, verraad en dood. En dat alles omgeven door een verlangen naar weidse vertes – naar ‘Weg’, zoals hij zijn vrouwelijke hoofdpersoon zo prachtig laat verwoorden. Twee vrouwen is namelijk nog steeds een mooi boek. Het vertelplezier spat ervan af. Op zich natuurlijk geen opzienbarende conclusie bij een schrijver als Mulisch, maar wat me echt verraste, en ook raakte, was hoeveel ik me nog van het boek bleek te herinneren. Niet eens het verhaal zelf, maar vooral de details. De sfeer van een park direct aan zee, de ontroerende nutteloosheid van mannentepels, de vaste curve van een mensenlichaam… Kennelijk waren deze beelden al die jaren met me meegereisd, zonder dat ik wist waar ik ze vandaan had. In die zin vond ik niet zozeer het boek terug, maar mezelf. 
De Britse schrijver Tolkien zei ooit dat alles wat je leest in je geest vergaat tot een soort humus, een voedingsbodem waar nieuwe dingen op kunnen groeien. Mijn hernieuwde kennismaking met Twee vrouwen deed me beseffen hoezeer dit boek deel is van mijn bodemlaag. Des te beter dat het nu in zo’n enorme oplage over Nederland wordt uitgestrooid – voor herlezers een kans op de verwondering van het herkennen, voor nieuwe lezers een kans op de blijdschap van het leren kennen.