Luxe

Deze column verscheen eerder in Hide&Chic.

Al jaren bewaar ik in mijn agenda een stukje papier, waarop staat: ‘Writing is a way to cheat the rule that you can only live one life’. Ik knipte het ooit uit een Amerikaans blad omdat het iets bevestigde wat ik al vermoedde – namelijk dat wij schrijvers, in tegenstelling tot het heersende cliché, een uitermate gelukkig groepje mensen zijn. En niet omdat het zo hartverwarmend fijn is om op het Boekenbal rond te lopen of je eigen boek in de boekwinkel te zien liggen. In de met mediatypes en Bekende Nederlanders volgepropte Stadsschouwburg voel ik me meestal nogal overtollig, en in de boekhandel eigenlijk niet minder – al is het maar omdat er jaarlijks maar liefst negenduizend nieuwe titels bijkomen op de Grote Boekenberg. 
Voor de roem moet je vooral ook geen schrijver willen worden. Ten eerste omdat de kans daarop nogal klein is (zie die negenduizend andere titels), en ten tweede omdat op het moment dat je je in de publiciteit waagt, de hele wereld opeens verandert in één grote, duizendkoppige jury van de X-factor, mét bijbehorend commentaar. Zo’n witte blouse op jouw leeftijd – écht, niet meer doen, en trouwens, zijn er geen cursussen waarin je kunt leren leuke antwoorden te geven? En had je al eens aan een andere kapper gedacht? 
Herkend worden is al helemaal geen onverdeeld genoegen. Dat gebeurt namelijk altijd op die momenten dat het níet uitkomt: onder de douche in de sportschool, chagrijnig in de rij bij de supermarkt, of – mijn eigen persoonlijke dieptepunt – wachtend op de politie, nadat ik met m’n auto een lantaarnpaal omver gereden had. 
En toch zijn schrijvers gelukkig. En dat is omdat we het, zoals die Amerikaanse schrijfster zei, niet alleen hoeven te doen met ons eigen leven, maar er een tweede en vaak veel mooiere en meeslepender werkelijkheid bij hebben. Als je aan een boek werkt is het net alsof er een film in je hoofd loopt. Weliswaar nog niet goed gemonteerd, en in flarden – maar dat maakt het alleen maar spannender. Ik weet bijvoorbeeld nog precies waar en wanneer de beginscène van mijn vorige boek geboren werd. Het was op een grauwe, regenachtige dag in februari, bij een tankstation. Mijn vriend was aan tanken en ik zat een beetje voor me uit te dromen – en opeens hoorde ik de scheepstoeter van een stoomschip dat op het punt stond aan zijn reis over de oceaan te beginnen. Zwarte jongens die lachten en schreeuwden, geplons, het doffe groen van het oerwoud onder de tropenzon en daar was mijn hoofdpersoon, zwemmend in de warme, lome water van de Surinamerivier. En toen wist ik het. 
Er zijn, maar dat hoef ik de lezers van dit blad niet te vertellen – veel soorten luxe in het leven. Ik noem maar wat: grote bossen pioenrozen, de geur van een nieuwe tas, het gevoel van mooie kleren, met zorg klaargemaakt eten, een brief die meldt dat er een parkeervergunning voor de Amsterdamse binnenstad voor je klaarligt. Maar er is er maar één luxe die helemaal gratis is en onder alle omstandigheden inzetbaar, die je zomaar hebt meegekregen en waar je niets voor hebt hoeven doen – en dat is verbeeldingskracht. Dus laat u vooral niets meer wijsmaken over tobberige schrijvers, die in alle eenzaamheid zitten te ploeteren op hun zolderkamertje. We zítten daar wel, maar in stilte genieten we.