Mijn eerste auto

Deze column verscheen eerder in Elegance, maart 2008.

Ik weet het: voor u is het waarschijnlijk niet meer dan vanzelfsprekend en wordt dit dus een beetje belachelijk verhaal. Maar voor mij was mijn eerste auto een keerpunt in mijn leven. Ongetwijfeld heeft dat te maken met het feit dat ik pas laat mijn rijbewijs haalde, eigenlijk vooral omdat het nooit bij iemand opgekomen was dat ik het überhaupt zou kúnnen halen. 
Als kind liep ik overal tegenaan. ‘Dromerig’, zei mijn moeder. ‘Ongeconcentreerd’, zei de juf. ‘Oogafwijking’, zei de oogarts. Veel maakte het niet uit: ik dagdroomde mijn jeugd tevreden door, zonder ooit naar iets snellers te verlangen dan een fiets. Toen ik wat ouder werd wenste ik me ook nog een man, maar dan wel eentje die goed kon autorijden. Daar was ik heel strikt in, waarschijnlijk in een onbewuste poging om mijn eigen onhandigheid te compenseren. Het leven bracht me inderdaad zo’n man en jarenlang zat ik uiterst tevreden naast hem. Tot het begon te knagen. Dat kwam vooral door die oudere dametjes die ik op de snelweg in hun kittige autootjes voorbij zag zoeven. Ze hadden zoiets zelfstandigs, zoiets onafhankelijks… Dat wilde ik óók. Ik kon me toch niet mijn hele leven laten rond chaufferen? 
Ik zal u de lijdensweg die volgde besparen. ‘Het lijkt wel alsof je báng bent van die auto,’ verzuchtte mijn eerste examinator. Vier examinatoren en een royale hoeveelheid kalmerende middelen later slaagde ik, tot ieders en vooral mijn eigen verbazing. Slechts enkele ritjes met mijn mans Volvo in het Amsterdamse stadsverkeer maakten me duidelijk dat het een vergissing moest zijn geweest: huiverend trok ik me weer terug op de bijrijderstoel. Maar knagen bleef het, al was het maar door de omstandigheid dat ik voor mijn werk steeds vaker bij nacht en ontij in verre provincieplaatsen moest zijn. 
Op een dag belde mijn man me enthousiast op. Hij was bij een dealer en had nu toch wel zo’n leuke auto voor mij gezien. Onder het motto ‘als-ik-over-een-half-jaar-nog-niet-durf-te-rijden-verkoop-ik-hem-weer’ raapte ik mijn moed en spaarcentjes bij elkaar en bestelde het nieuwste model Panda, met alles erop en eraan, inclusief maar liefst zes airbags. Vrolijk blauw stond hij te blinken op de gracht, maar hij voelde nog lang niet als de mijne. Ik verzon de raarste smoezen om niet achter het stuur te hoeven en kwam ik er echt niet onderuit dan stond ik doodsangsten uit. Met engelengeduld probeerde mijn man me aan het rijden te krijgen en uiteindelijk lukte het dat ook wel, al was het maar omdat de Panda inderdaad een buitengewoon prettige auto was. Maar echt helemaal goed voelde het nooit: ik bleef het gevoel houden dat ik vroeg of laat ongelukken zou veroorzaken. 
Zoals gaat met sombere verwachtingen werd ook deze uiteindelijk bewaarheid. Ik deed iets doms met de pedalen en ramde een lantaarnpaal. Zelf had ik geen schrammetje, maar mijn arme Panda moest in zorgwekkende toestand naar de garage worden vervoerd. En terwijl ik de sleepwagen zag wegrijden gebeurde het. Opeens voelde ik een diepe liefde opwellen voor dat stoere wagentje met zijn gehavende snuit. Het leek de Bouquetreeks wel. Wat was ik blij toen ik hem een paar weken later geheel hersteld kon ophalen, en wat was ik gelukkig toen we gewoon weer gezellig samen rondreden. Ik vergat van de weeromstuit helemaal om bang te zijn. 
Sindsdien zijn we onafscheidelijk. Nooit heb ik geweten dat je zoveel kon houden van iets wat officieel – het wil er bij mij nog steeds niet helemaal in – niet leeft. Mijn hart maakt een sprongetje als ik hem na een lange avond werken trouw op me zie staan wachten, knipperend met zijn lichtjes omdat hij zijn sleutel herkent. ‘Wanneer koop je nou eens een échte auto,’ vragen ze wel eens op de uitgeverij. Maar ik weet wel beter. Met dezelfde overtuiging waarmee ik als zestienjarige wist dat mijn toenmalige liefde voor altijd zou zijn, weet ik zeker dat ik nooit van mijn leven in een andere auto zal kunnen rijden. Panda forever.