Verandering

Deze column verscheen eerder in Hide & Chic.

Laatst kreeg ik tijdens een optreden een vraag naar mijn schrijfrituelen. Om me in de stemming te krijgen verhaalde de dienstdoende interviewer over Renate Dorrestein, die al dertig jaar in dezelfde trui haar boeken schijnt te schrijven. Volgens hem waste ze die zelfs nooit, zo bang is ze om de magie te verbreken. Kon ik misschien ook alleen onder bepaalde omstandigheden werken? 
Dit nu had hij me niet moeten vragen. Het koude zweet brak me uit, terwijl ik een visioen kreeg van het oude vertrouwde zoldertje waar al mijn boeken bedacht en geboren zijn. En waarvan ik toevalligerwijs net de week ervoor de deur voorgoed achter me had dichtgetrokken, op weg naar een nieuw appartement en een vooralsnog uiterst ongewisse literaire toekomst. Schrijvers hóren ook helemaal niet te hoeven verhuizen, bedacht ik me treurig op de terugweg. Hun buurten zouden niet mogen veranderen in luidruchtige toeristencircussen; hun omstandigheden zouden het niet noodzakelijk mogen maken om een ander onderkomen te zoeken. Als ze bijvoorbeeld per ongeluk succes zouden krijgen, zouden hun huizen gewoon zachtjes en ongemerkt met hen mee moeten groeien, zodat ze op een dag bijvoorbeeld zomaar opeens een nieuwe, ruime werkplek zouden hebben. Verder zou alles fijn en hetzelfde moeten blijven, met als enige onderbreking een boek dat zo nu en dan eens naar buiten komt rollen. 
Zo zou het moeten zijn. Maar zo is het niet. En dus moest ik zo nodig gaan verhuizen. Collega-schrijvers keken mij met een mengeling van afschuw en mededogen aan toen ik meldde eindelijk een huis gevonden te hebben. Huiverend vertelde de verder toch uiterst schokbestendig ogende Jan B. over die ene keer dat hij wegens onderverhuur zijn spullen tijdelijk elders had moeten opslaan. Maar liefst 85 kuub was er uit zijn pakhuiszolder gekomen en het had hem maanden gekost voor alles op z’n plaats lag en hij weer een letter op papier kreeg. Ook Lieve J. oogde zorgelijk: in haar jongere jaren had ze ooit wilde plannen tot verhuizing gekoesterd, maar was uiteindelijk zo wijs geweest het te houden bij de aanschaf van een koptelefoon. Daarmee kon haar man televisie kijken terwijl zij schreef – en dat doet ze tot op de dag van vandaag, het ene prachtboek na het andere. Judith K. – de enige ervaringsdeskundige, want twee jaar geleden nieuw huis gekocht – was nog het meest beslist. ‘Het is een rámp,’ zei ze. Om er troostend aan toe te voegen: ‘Maar misschien kun jij er beter tegen dan ik.’ 
Maar luisterde ik naar mijn collega’s? Welnee, ik bleef er lustig op los fantaseren: och, wat zou ik een comfortabel en prettig huisje krijgen, en wat zou ik floreren bij een rustige werkplek en een eetkeuken waar ik iedere avond Nigella Lawson zou kunnen spelen. ‘Mensen veranderen van een ander huis,’ zei mijn nogal filosofisch aangelegde aannemer. Ik knikte enthousiast: in mijn nieuwe onderkomen zou ik, ik wist het zeker, een all over verbeterde versie van mezelf worden. 
Inmiddels zijn we ruim anderhalve maand verder. Ik ben inderdaad een héél ander mens geworden. Onthutst en ontheemd, beroofd van rust en levensvreugde en voor mijn omgeving niet te genieten. Ik verdoe mijn dagen in gordijnzaken, ijzerwarenwinkels en het magazijn van onze grote Zweedse meubelvriend; ben in geen tijden zo dun geweest en heb al in geen maanden zelfs maar een boek kunnen lezen. 
Ergens diep in mij jammert een nieuw boek dat geschreven wil worden. Maar dat geluid wordt gesmoord door klopboren en zaagmachines. Gelukkig hoor ik daarboven nog wel de telefoon. Het is de vriendin die mijn zolder heeft overgenomen. ‘O, wat zit ik hier héérlijk!’ zegt ze verrukt.