Werkwijze

Uit 'Meer dan de feiten' (2007) door Han Ceelen en Jeroen van Bergeijk

Waar schrijf je graag over? 
‘Eigenlijk over alles waar ik nieuwsgierig naar ben of van word. In Annie M.G. Schmidt bijvoorbeeld raakte ik geïnteresseerd door haar publieke persoonlijkheid. Niet door haar werk, dat kende ik eigenlijk nauwelijks – dit vanwege goedbedoelende intellectuele ouders bij wie Jip en Janneke in de zeventiger jaren als ouderwets en rolbevestigend te boek stonden. Maar later was ze als schaduwkoningin van Nederland natuurlijk alom tegenwoordig in de media. En als ik haar zo op televisie zag, bijvoorbeeld in dat beroemde interview met Ischa Meijer, dacht ik altijd: maar achter dat schild van geestige anekdotes en vrolijke zelfverzekerdheid moet toch ook nog een écht mens schuilgaan? Iemand zoals jij en ik, met twijfels en onzekerheden en een geschiedenis? Naar die vrouw ben ik toen op zoek gegaan voor mijn biografie. 
Als er iets is dat in al mijn boeken terugkomt dan is dat de neiging om te willen kijken achter een algemeen geldende waarheid. Jagtlust, mijn eerste boek, ging over een landhuis dat een literaire mythe werd; Annie Schmidt was een levende legende, en ook de jodenhelpers uit de Tweede Wereldoorlog, zoals die in mijn laatste boek voorkomen, hebben in de loop der tijd buitenmenselijke proporties gekregen. En wat mij vervolgens vooral fascineert zijn de drijfveren van mensen: What makes Sammy run?, zoals ze me tijdens mijn Engelse studie als journalistiek basisprincipe leerden. Welke kaarten krijgen mensen gedurende hun leven in handen gespeeld, onder welke omstandigheden gebeurt dat en wat doen ze daar dan vervolgens mee? Impliciet zoek ik de vragen die ik zelf over het leven heb uit via mijn verhalen.’ 

Al je boeken spelen in het verleden. 
‘Ja, het zijn allemaal reconstructies. Dat heeft ongetwijfeld te maken met mijn tijd als journaliste, waarin ik me vaker dan me lief was bezig moest houden met de waan van de dag. Ik vond dat niet erg bevredigend: de waarheid raakt op korte termijn maar al te vaak zoek in die fixatie op nieuws. Terwijl als je er met terugwerkende kracht en afstand naar kijkt vaak wél duidelijk wordt hoe dingen echt in elkaar zaten, en wat ze betekenden. Dat geldt voor je eigen leven net zo goed als voor de grote maatschappelijke gebeurtenissen. Neem nou de moord op Theo van Gogh. Toen dat net was gebeurd was het, in ieder geval voor mij, onmogelijk om te weten of dat het startsignaal was van een burgeroorlog of een afschuwelijk incident in een aanpassingsproces. Truth is the daughter of time, zoals het Engelse spreekwoord luidt, de waarheid is de dochter van de tijd. Ik zou dat graag als motto op mijn werk plakken. 
Wat ik ook zo prettig vind aan reconstructies is het gevoel orde te kunnen aanbrengen. Het leven op zich is natuurlijk al een tamelijk chaotische aangelegenheid, en ik ben volwassen geworden in een tijd die ik als extreem onveilig heb ervaren, met massale werkloosheid en de voortdurende dreiging van kernwapens en milieuvervuiling. Ook op persoonlijk vlak had je weinig houvast – in de nasleep van de jaren zestig moest vooral alles kunnen en was niets meer heilig. Ik begreep er vooral niet zoveel van. Misschien vind ik het daarom wel zo fijn om uit die enorme hoeveelheid rommel waaruit iemands leven op het eerste gezicht bestaat, met alle ogenschijnlijke onbegrijpelijkheden, tegenstellingen en raadsels die daar bij horen, een samenhangend verhaal te maken met een begin en een einde, en een verhaallijn die dingen inzichtelijk maakt.’ 

Hou je van het historisch onderzoek dat daar bij hoort? 
‘Ja, ik hou van research.’ 

Beschrijf eens wat daar leuk aan is. 
‘Je bent toch een soort detective. Het is eindeloos zoeken en speuren en tasten, zonder echt te weten of je gaat vinden wat je zoekt. Regelmatig wanhoop ik. Dan zit ik weer eens vier dagen in een archief en denk: ik verdoe mijn jonge leven tussen het oud papier. Maar uiteindelijk vind je toch altijd iets, soms maar een heel klein puzzelstukje, maar dan wel net eentje dat cruciaal is in de puzzel die je wilt leggen, die verbanden duidelijk maakt die je eerder niet zag. En dat is dan heel leuk, ja.’ 

Hoe krijg je mensen zover om jou hun verhaal te vertellen? 
‘Dat gaat zo’n beetje vanzelf. Mijn ervaring is dat als je zelf heel goed weet waarom een bepaald verhaal verteld moet worden, het niet zo’n probleem is om mensen te vinden die je daarbij kunnen en willen helpen. Toen ik begon aan Jagtlust hoorde ik van alle kanten dat dat niet zou lukken omdat geen van de betrokkenen mee zou willen werken aan een verhaal over het gelijknamige landhuis dat in de jaren vijftig en zestig zo veel stof had doen opwaaien. Maar door stukken over die tijd die ik voor HP/De Tijd had gemaakt kende ik een aantal mensen die daar destijds een sleutelrol speelden, zoals Remco Campert en Theo Sontrop. Toen zij eenmaal meededen, kwam de rest ook. 
Het is natuurlijk wel van belang dat je mensen enthousiast weet te maken voor je plan. Eigenlijk moeten ze denken: dat boek wil ik lezen! En als dat niet lukt – wel, dan moet dat boek misschien niet geschreven worden. Uiteindelijk draait alles om vertrouwen, van beide kanten. Al die mensen die me helpen zijn in feite medescheppers van mijn verhaal: zij leveren de stukjes, ik leg ze aaneen. Ze vertrouwen mij hun geschiedenis toe in de hoop dat ik er iets moois van maak, ik heb de plicht die weer bij ze terug te bezorgen, het liefst op zo’n manier dat het ook voor hen completer en inzichtelijk is geworden, dat ook voor hen vragen worden beantwoord. Ik wil dat ze, ook achteraf, tevreden zijn met het lange of korte avontuur dat we gezamenlijk zijn aangegaan. 
Vanzelfsprekend stuit je, vooral als je heel nauw met één familie te maken hebt, ook op allerlei onderlinge ruzies en ander gedoe. Maar mijn ervaring is dat het toch altijd wel mogelijk is om het zo op te schrijven dat iedereen zich recht gedaan voelt, en zijn of haar eigen waarheid er in herkent. Zo had Annies man nog een zoon uit zijn eerste huwelijk die begrijpelijkerwijs fel tegen haar gekant was: in zijn ogen was zij de vrouw die het huwelijk van zijn ouders had verwoest. Hij had een totaal andere kijk op de gebeurtenissen dan zijn halfbroer Flip, de zoon van Annie. Toch konden ze zich beiden heel goed vinden in het uiteindelijke manuscript. Stiekem hoop ik dan dat ze ook wat meer begrip voor elkaars standpunten hebben gekregen – het liefst laat ik het slagveld wat rustiger achter dan ik het aangetroffen heb.’ 

Hoe zou je jezelf als journalist omschrijven? 
‘Een slechte. Ik vind mezelf eigenlijk ook geen journalist. Ik ben geen Wouke van Scherrenburg. Ik kan geen scherpe vragen stellen, ik ga niet graag de confrontatie aan en aan scoops heb ik een broertje dood. Sterker nog: ik herken ze niet eens. Ooit had ik eens een interview met Freddy Heineken waarin hij openlijk sprak over ‘de nieuwe vriendin’ van Willem-Alexander. Ik heb dat braaf opgeschreven en het is zonder enig opzien te baren gepubliceerd. Pas weken later viste een oplettende Telegraaf-journalist die nieuwe vriendin uit dat stuk en bracht het als groot nieuws op de voorpagina. 
De enige reden dat ik me nog relatief lang heb weten te redden in dat vak is het feit dat ik van mijn respectievelijke hoofdredacteuren de ruimte en de tijd kreeg om me bezig te houden met het soort verhalen waar mijn hartstocht lag: reconstructies en portretten. En met name op de lange termijn merkte ik toch ook de voordelen van een wat zachtzinniger werkwijze. Zo ontmoette ik in de periode dat de Annie Schmidt-biografie in de steigers gezet werd Querido-directeur Ary Langbroek, die bij dat proces een doorslaggevende rol speelde. Jaren eerder had ik hem eens gesproken voor een stuk over de uitgeverij, dus ik vroeg of hij mij zich nog herinnerde. ‘Jazeker,’ zei hij. ‘Dat weet ik nog goed, en ik weet ook hoe je te werk ging. Anders had je hier nu niet gezeten.’ Mensen moeten je vertrouwen. Je kunt wel denken: ik heb lak aan iedereen en ik schrijf datgene op waar ik nu geweldig mee scoor, maar dat keert zich op den duur tegen je. En misschien nog belangrijker: als je van jezelf weet dat je dat soort geintjes flikt, kun je ook niet meer in je eigen oprechtheid geloven.’ 

Maak je aantekeningen of gebruik je een opnameapparaat? 
‘Aantekeningen. Ik neem nooit iets op. Dat is zo gegroeid. Toen ik begon als journaliste had ik geen geld voor zo’n apparaat en ik ben dat meeschrijven prettig gaan vinden. Het is voor de persoon die je interviewt ook rustiger en vertrouwder. En ze lezen het toch allemaal voor het verschijnt, dus als ik iets gemist zou hebben komt dat wel boven water.’ 

Je laat mensen dus de interviews lezen voor publicatie? 
‘Ja, en ik zou niet anders willen. Zelfs mensen die om wat voor reden dan ook niet wilden meewerken, maar waarvan ik wel vind dat ze er een belang bij hebben, krijgen het van te voren toegestuurd met de dringende vraag of ze het alsjeblieft willen lezen en me hun commentaar willen laten weten. De tekst wordt er eigenlijk altijd alleen maar beter van.’ 

Wanneer weet je: nu heb ik genoeg materiaal en kan ik gaan schrijven? 
‘Op een gegeven moment merk ik tijdens een interview dat ik meer te vertellen heb dan te vragen. Kennelijk heb ik dat boek in mijn hoofd dan op een bepaalde manier ‘rond’: dat boek wil eruit. Dan moet ik gaan schrijven. De resterende research doe ik dan onderweg.’ 

Maak je voor het schrijven een opzet? 
‘Ja, daar begin ik al mee tijdens de researchfase. Ieder stukje informatie waarvan ik ook maar enigszins denk dat het van belang is of kan zijn, zet ik in een chronologische fact sheet. Dat is een manier van werken die ik in Engeland heb geleerd. Zo’n bestand bevat zowel de lotgevallen van mijn hoofdpersonen en van de mensen erom heen, als de gebeurtenissen uit de zogenaamde grote wereld die gelijktijdig plaatsvonden. En het wonderlijke is altijd: terwijl ik daarmee bezig ben, worden er allerlei verbanden duidelijk en doemt het boek vanzelf op. Alsof je met een potlood over een stukje papier gaat waar een muntstuk onder ligt. Op een gegeven moment denk ik: dit stuk moet natuurlijk hier, want daar begint een nieuw hoofdstuk, enzovoort. Het is een heel fascinerend proces. Ik bedenk het niet, het doet zich voor... ik herken het. Het is net alsof dat boek er al lang is, en ik het alleen nog maar hoef uit te graven.’ 

Denk je nooit: help, ik verzuip in al die gegevens? 
‘Natuurlijk denk ik dat wel eens. Die fact sheets kunnen makkelijk oplopen tot boven de duizend pagina’s. Maar op zo’n moment moet je gewoon stug blijven doorwerken en vooral zorgen dat je het overzicht niet verliest. Dat is trouwens ook iets wat in je karakter zit –als kind al kon je me dagen zoethouden met ingewikkelde legpuzzels die ik dan met eindeloos geduld ging leggen. Ik verlies me er echt in, kan er niet meer mee ophouden. Een boek is net zo’n puzzel, alleen zonder voorbeeld. 
Het maakproces heeft twee kanten: aan de ene kant verzamel je als een soort eekhoorn de kleinste details, feitjes en weetjes, aan de andere kant moet je er op een gegeven moment als een roofvogel boven gaan hangen om de grote lijnen te zien. En dat laatste maakt het zo spannend: ik kan, terwijl ik aan een boek werk, zelf zo benieuwd zijn hoe het nu verder gaat, hoe de afbeelding er uit komt te zien.’ 

Waar schrijf je? 
‘Thuis. Jagtlust en Anna schreef ik aan de keukentafel, en voor Sonny Boy kon ik dankzij het succes van de voorganger een heuse werkhoek laten maken. Ik heb geen aparte werkkamer, en wil die ook niet. Ik ga nu verhuizen maar blijf gewoon gezellig in de woonkamer werken.' 

Schrijf je snel? 
‘Nee, het kost een hoop tijd en moeite om te zorgen dat het leest alsof het in één keer en moeiteloos op papier is verschenen. Ik kan geweldig tutten met woordjes en zinnetjes of met een hoofdstuk dat nét niet lekker loopt. Daar blijf ik aan herschrijven en herschrijven, net zolang tot het goed is. Uiteindelijk moet de uitgever het manuscript zo ongeveer uit mijn handen trekken, anders blijf ik bezig.’ 

Streef je naar een bepaald aantal woorden per dag? 
‘Nee, ik werk gewoon door tot mijn hersens niet meer willen. En dat is meestal tegen een uur of vijf ’s middags. Ik heb er over het algemeen niet zo’n moeite mee om mezelf ’s ochtends aan het werk te zetten. Het enige wat ik soms wel mis zijn collega’s, het gevoel mee te draaien in een groter geheel. En ja, als ik echt tegen een deadline aan zit te werken, dan moet ik het soms echt wel uit mijn tenen halen. Ik herinner me nog de warme zomer van 2002: ik zat met de gordijnen dicht te ploeteren aan de laatste hoofdstukken van Anna, en op een middag zag ik hoe Michael Boogerd de Koninginnerit in de Tour won – die eindeloze berg op, en maar doorzetten en niet opgeven en maar doorgaan. Daar herkende ik mezelf op dat moment zeer in.’ 

Wanneer schrijf je? 
‘Ik hou in principe kantooruren aan. Soms werk ik ’s avonds door, maar dan wil het de volgende ochtend weer niet. Een beetje lezen lukt ’s avonds nog wel .’ 

Moet een schrijfdag voor jou leeg zijn? 
‘Ja, heel graag. Als ik ’s avonds een lezing heb, ben ik toch altijd een beetje nerveus en kom ik niet echt goed in mijn concentratie. Fotosessies en interviews zijn wat dat betreft helemaal verschrikkelijk. Ik ben altijd blij als ik een lege week voor me zie.’ 

Wat doe je het liefst: research, op pad gaan of schrijven? 
‘Ik vind het allemaal leuk, en het een kan ook niet zonder het ander. Researchen is leuk omdat het ‘werk-werk’ is. Je hebt er geen inspiratie voor nodig en ik voel me in dat stadium altijd nog heel vrij. Schrijven is zwaarder, maar ook bevredigender – als het lukt natuurlijk. Maar ik weet meestal wel of iets deugt of niet: in mijn werk ben ik wat dat betreft veel trefzekerder dan in het gewone leven.’ 

Hoe noem je het genre dat je bedrijft? 
‘Literaire non-fictie vind ik een mooie omschrijving.’ 

Waar bestaat dat literaire uit? 
‘Uit het feit dat ik de gereedschapskist van de fictieschrijver plunder, zoals Kees Fens het eens mooi omschreven heeft.’ 

Geef daar eens een voorbeeld van. 
‘Het belangrijkste van alles is natuurlijk dat je je lezer geboeid houdt, dat ze doorlezen, dat ze jouw verhaal willen blijven volgen en daarbij bij voorkeur alles om zich heen vergeten. Schrijven is verleiden, niets meer en niets minder. En daar heb je natuurlijk allerlei instrumenten en technieken voor, en die moet je zo goed mogelijk combineren met de elementen die het verhaal zelf je geeft. Bij non-fictie heb je gedeeltes van het verhaal die zo spannend en mooi zijn dat ze zichzelf schrijven. Maar je hebt ook periodes die minder spannend of zelfs ronduit saai zijn, en gegevens die erin moeten zonder dat ze iets bijdragen aan de verhaallijn. Zo ontkwam ik er bij Anna niet aan om allerlei werk dat Schmidt in een bepaalde periode maakte op te moeten noemen. Het is dan een kwestie van techniek en een lenige pen om dat soort informatie er zo in te verwerken dat het de lijn van je verhaal niet stoort en het liefst juist nog sterker maakt. 
Bij Sonny Boy had ik een heel ander probleem: namelijk dat het hier ging om volstrekt onbekende mensen die al meer dan zestig jaar geleden spoorloos van de aardbodem verdwenen waren. En toch wilde ik graag dat ook dat verhaal gelezen zou worden. Dus daar moest ik nog veel meer mijn best doen het mooi op te schrijven en nog meer literaire procedés uit de kast halen. Al heel snel viel me op dat water een voortdurende rol in dat verhaal speelde: de mannelijke hoofdpersoon was een fervent zwemmer, hij woonde in Paramaribo aan de Waterkant, in Scheveningen aan de Zeekant, hij kwam van een plantage die aan de zee lag en uiteindelijk bleek het water ook nog een grote rol te spelen bij zijn dood. Dat water is dus een voortdurend terugkerend thema geworden in het boek. Ik verzin dat niet van te voren: het was een cadeautje waar het verhaal zelf mee kwam, en waar ik dankbaar gebruik van gemaakt heb.’ 

Staat de literaire vorm wel eens op gespannen voet met de werkelijkheid? 
‘Ik vind dat je als non-fictieschrijver alleen iets mag opschrijven als je – zoals dat in de rechtszaal heet – met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid meent te weten dat het zo gebeurd is. De dood van mijn hoofdpersoon in Sonny Boy is een goed voorbeeld. Het is heel lang onduidelijk gebleven hoe hij aan zijn einde gekomen is en een echt waterdicht bewijs als een graf is er niet. Maar op grond van een heel samenstel van omstandigheden en feiten – een verhaal over iemand die later al lang dood bleek te zijn, zijn gelijkenis met die persoon, het aantal zwarte mannen in concentratiekamp Neuengamme, het feit dat hij een goede zwemmer was, zijn geschiedenis in het kamp zelf – heb ik er zelf geen twijfel over of het is gegaan zoals ik het beschrijf.’ 

Als je het niet helemaal zeker weet, waarom maak je er dan geen fictie van? 
‘Ik heb aanvankelijk bij Sonny Boy wel gespeeld met de gedachte om er een historische roman van te maken, juist omdat er zo weinig van de hoofdpersonages bekend was. Maar toen doken de brieven op die mijn hoofdpersonen vanuit de concentratiekampen aan hun zoontje schreven. Die waren zo ontroerend, zo echt, dat ik dacht: daar moet ik niet tegenaan gaan zitten verzinnen, ik moet me gewoon redden met het materiaal wat ik heb of nog kan vinden. Dat dat betekende dat ik bepaalde thema’s niet verder kon uitdiepen heb ik op de koop toe genomen. 
Overigens sluit ik niet uit dat ik me ooit nog wel aan die historische roman waag, integendeel. Maar ook dan zal ik willen verantwoorden wat historisch materiaal is en wat niet – ik vind het altijd jammer als dat bij een mengvorm niet gebeurt.’ Je kruipt ook in de hoofden van personages, zoals in de laatste alinea’s van Sonny Boy. Daarin beschrijf je hoe Waldemar zich voelt in de laatste ogenblikken voor hij verdrinkt, en suggereer je dat hij aan Suriname denkt ‘Die vredige dood is niet helemaal uit de lucht gegrepen. Uit verhalen over de watersnoodramp in Zeeland wist ik dat verdrinking zeker in combinatie met onderkoeling een relatief rustige dood is. Veel slachtoffers werden daar met een glimlach op hun gezicht gevonden. Bovendien: ik schrijf nergens wat Waldemar denkt – ik beschrijf alleen maar wat er in Paramaribo gebeurt op het moment dat hij sterft. Eigenlijk is alleen echt die allerlaatste zin een vorm van fictie: hij zwom naar huis. En toch voelt het voor mij helemaal waar, ook omdat het zo perfect past bij het voorafgaande verhaal en de hoofdpersoon. Daarbij biedt het een zekere troost. Aan zijn zoon, aan de lezers, aan mezelf ook. Want onderschat niet hoezeer je je gaat hechten aan mensen waar je zo’n tijd mee leeft. Het einde van mijn vrouwelijke hoofdpersoon heb ik met samengeknepen keel opgeschreven, en de muziek die ik toen draaide kan ik nog steeds niet met droge ogen horen.’ 

Hoe weet je welke vorm bij een boek past? 
‘Eigenlijk gaat dat zo’n beetje vanzelf. Zoals ik al zei, doemt het boek tijdens de researchfase al grotendeels op uit het materiaal. Bij Anna had ik de vorm van het boek zelfs al eerder dan het onderwerp: ik droomde van het schrijven van een klassieke Angelsaksische biografie. Op dit moment ben ik bezig met een biografie van Prins Bernhard, die ik ruwweg dezelfde vorm wil geven. Daarna hoop ik weer een beetje te gaan experimenteren– ik heb al iets in mijn hoofd, een vorm die ik mooi vind, en wellicht wordt dat dan toch die historische roman. Daarnaast wil ik graag wat verder terug in de geschiedenis – tot nu toe speelden mijn boeken in de twintigste eeuw, en ik zou me nu wel eens willen verdiepen in de negentiende. 
Per boek heb je natuurlijk ook kleinere vormkwesties. Zo gebruik ik in Anna wel directe quotes, en in Sonny Boy niet. Achteraf past dat inderdaad beter, omdat het eerste boek ook vanwege het onderwerp journalistieker van karakter is, maar op het moment zelf neem ik dat soort beslissingen eigenlijk helemaal op mijn gevoel. Ik vond het gewoon mooier en beter bij een verhaal als Sonny Boy passen. In die zin dicteert ieder verhaal zijn eigen vorm – ik hoef alleen maar goed te kijken welke.’ 

Wat is je eigen rol in je boeken? 
‘Tot nu toe kom ik niet als zodanig in mijn boeken voor. Achteraf heb ik me wel gerealiseerd dat ik voor Sonny Boy ook de vorm had kunnen kiezen zoals Frank Westerman voor zijn El Negro heeft genomen. Hij beschrijft heel nauwkeurig zijn naspeuringen naar zijn onderwerp en zijn eigen persoonlijke ontwikkeling tijdens die reis. Op zich was mijn zoektocht naar mijn hoofdpersonen kleurrijk en spannend genoeg – ik vertel er graag over tijdens lezingen – maar toch ben ik ook achteraf blij dat ik die reis en mezelf buiten het boek heb gelaten. Ten eerste omdat ik mezelf niet zo bijster interessant vind om over te schrijven, en ten tweede omdat ik niet tussen mijn lezer en het verhaal in wil gaan staan. Daar was dit verhaal zelf me te bijzonder en ook te lief voor. 
Dit alles betekent natuurlijk niet dat je ooit echt afwezig bent in je boeken. Tenslotte ben ik de verteller, ik maak uit wat ik zoek, wat ik selecteer en waar ik de nadruk op leg. En zoals ik aan het begin van dit interview al zei, ik zoek mijn eigen vragen over het leven uit via die verhalen over anderen. Maar daar heeft de lezer hopelijk geen last van. Of misschien is hij of zij wel geïnteresseerd in dezelfde vragen.’ 

Heb je behoefte aan meelezers? 
‘Ik zou niet zonder kunnen. Ik heb per project verschillende meelezers – zo gaat Geert Mak nu meelezen met Bernhard – maar ik heb ook vaste meelezers: mijn man, die zelf journalist is, en een goede vriendin, dezelfde overigens die me ook het verhaal over Sonny Boy aan de hand deed. Zij vormen de pijlers onder mijn schrijversbestaan. Als ik echt aan het schrijven ben krijgen zij eens in de twee weken één of meer hoofdstukken toegestuurd, en aan hun reacties merk ik of het wat wordt. Mijn man was aanvankelijk helemaal niet zo gecharmeerd van Annie M.G. Schmidt als onderwerp, ze leek hem nogal saai geloof ik. Toen hij op een gegeven moment langs zijn neus weg begon te vragen “Zeg, heb je alweer wat te lezen?” wist ik dat het de goede kant op ging. 
Overigens zijn de ogenblikken dat je zo’n tekst uit handen geeft, altijd momenten van grote twijfel. Het gebeurt geregeld dat ik mijn meelezers iets toestuur en er een half uur later een mailtje achteraan doe met “Weggooien, weggooien – zo meteen nieuwe versie!” ’ 

Legt een bestseller extra druk op je volgende boek? 
‘Nee hoor – integendeel. Het schept juist de ruimte om te kunnen mislukken, en die ruimte heb ik nodig om iedere keer weer zo’n onderneming aan te durven. Het is wel zo dat succes je dagelijks bestaan een beetje ontregelt, en in dat verband denk ik soms met weemoed terug aan de tijd toen ik nog aan Anna werkte. Ik leidde een heel overzichtelijk en ongestoord leven, niemand wilde iets van me, niemand wist dat ik bestond, ik kon lekker rustig doorwerken. Een van de redenen om aan Sonny Boy te beginnen was dat ik echt schrok van al die aandacht en flitslichten opeens. Ik wilde weer wegduiken in een nieuw verhaal, in een andere wereld.
Inmiddels ben ik gewend geraakt aan de publieke kanten van het schrijverschap, en kan ik echt genieten van het feit dat zoveel mensen plezier beleven aan wat ik doe. Het is ook vleiend en goed voor m’n zelfvertrouwen. Toch blijft publieke waardering iets van een moorkop hebben: het is even lekker, maar het voedt niet. Dat doet je privéleven, en de bevrediging die je haalt uit het werk zelf.’ 

Ben je in je boeken op zoek naar de waarheid? 
‘Ja, ik heb de hoop dat als je maar genoeg bronnen raadpleegt, er op een bepaald moment een waarheid komt bovendrijven die klopt. Ik word daarin ook wel bevestigd door mensen die de door mij beschreven geschiedenis aan den lijve hebben meegemaakt. Zo was er een mevrouw die in dezelfde concentratiekampen had gezeten als mijn vrouwelijke hoofdpersoon in Sonny Boy. Ze zei: ja inderdaad, dít is het verhaal, zo ging het, zo naïef, zo totaal onbewust van wat ons te wachten stond kwamen we daar in terecht. 
Maar ik ben me er altijd van bewust dat het resultaat uiteindelijk mijn visie op de dingen bevat. Een ander zou op grond van dezelfde informatie wellicht tot andere conclusies komen, of in ieder geval andere accenten leggen. Zo heb ik eens een toneelstuk gezien over Annie Schmidt waarvoor de schrijver duidelijk flink wat materiaal uit mijn boek gehaald had. Maar de teneur van dat stuk pakte totaal anders en vooral een stuk negatiever uit. Dus in die zin besef ik dat ook mijn waarheid betrekkelijk is. Toch blijf ik er naar zoeken, dus kennelijk geloof ik er toch in.’ 

Wie zijn je voorbeelden en welke collega’s vind je goed? 
‘Ik ben een groot bewonderaarster van de Amerikaanse journalist Joseph Mitchell en historici als Barbara Tuchman en J.P. Bouman. Wat betreft inspiratiebronnen dichter bij huis denk ik vooral aan de verhalen zoals Jan Brokken en Lieve Joris die in de toenmalige Haagse Post schreven toen ik nog op de middelbare school zat. Maar ik word geïnspireerd door veel meer dan alleen directe voorbeelden – ook door films, muziek, romans, en gewoon, de verhalen die ik om me heen hoor. Tolkien heeft eens gezegd dat alles wat je leest of tot je neemt in je geest tot een soort humus wordt, een vruchtbare laag waar weer iets nieuws uit kan groeien. Zo voel ik dat ook .Het gaat bij mij allemaal heel intuïtief. Om het simpel uit te drukken: ik volg mijn neus, doe wat ik leuk vind, wat me boeit en waarvan ik denk dat het zin heeft. En het houdt me van de straat, ook een goede zaak.’ 

Hoe verklaar jij het huidige succes van de literaire non-fictie in Nederland? 
‘Mijn collega Jan Brokken zei het laatst heel mooi: in onzekere tijden grijpen mensen terug op geschiedenis. De verhalende geschiedschrijving zoals Bouman die bedreef leek de laatste decennia onder historici een beetje in onbruik geraakt, en wellicht als reactie daarop is er nu onder aanvoering van Geert Mak een generatie journalisten opgestaan die die leemte in is gaan vullen. 
Ik zelf heb het altijd jammer gevonden dat ik geen geschiedenis ben gaan studeren, maar tot mijn vreugde heb ik nu met Bernhard alsnog de kans gekregen om aan de historische faculteit te promoveren. En ik zal trots zijn als ik me straks historica mag noemen, want ik vind het in deze verwarrende tijden een uiterst zinnig en eerzaam beroep. Geschiedenis is een beschavende factor. Hoe meer levenservaring en zelfkennis een mens heeft, hoe verstandiger die kan omgaan met problemen waar hij of zij mee wordt geconfronteerd. Hetzelfde geldt voor een samenleving: hoe meer kennis die heeft van haar geschiedenis, des te beter is ze opgewassen tegen de veranderingen en uitdagingen waarvoor ze komt te staan.'