Annejet over Moord in de Bloedstraat

Waarom werd je misdaadverslaggeefster? 
Mijn interesse in de slechtheid van de mens begon al op de lagere school, die zeer christelijk was. We kregen voortdurend verhalen te horen over de goede Jezus en zijn zondige tegenhanger Judas, die als straf voor zijn verraad moest branden in de hel. Jezus boeide me niet zo, maar Judas interesseerde ik me des te meer.  Hoe, dacht ik, was die zo’n slechterik geworden? En als God alles voorbeschikte, was dat dan ook niet gedeeltelijk zíjn schuld? En was het dan niet een beetje zielig voor die arme Judas om voor eeuwig geroosterd te worden?
inspringenKlassengesprekken en –discussies waren destijds nog niet echt in de mode, dus antwoorden op mijn vragen kreeg ik nooit. Daarom ging ik ze zelf maar uitzoeken toen ik later als stagiair terecht kwam bij het toenmalige weekblad de Haagse Post.

Waarom ben je het zoveel jaar blijven doen? 
Aan het misdaadverhaal als genre was ik meteen verslaafd. Misdaad heeft dezelfde aantrekkelijkheid als oorlog: het is leven op het scherpst van de snede. Voor een schrijver hebben dit soort onderwerpen bovendien als voordeel dat ze verhaaltechnisch dankbaar zijn. Er zit meestal een duidelijk begin en einde aan, naar drama hoef je zelden te zoeken en naar een spanningsboog al helemaal nooit.

Hoe lukte het je om al die verhalen tot in de details uit te zoeken?
Ik had goede contacten bij de politie en de advocatuur. Zo herinner ik me die twee geharde rechercheurs bij wie ik terecht kwam omdat ik wilde weten wat voor verhalen er nu schuil gingen achter de zwerm illegale criminelen die Amsterdam in die dagen teisterde. Ik kreeg meteen hun ‘smoelenboek’ naar me toegeschoven. ‘Hier,’ zeiden ze, ‘zoek d’r maar eentje uit. Maar wel een dooie graag – je wilt echt geen ruzie met die gasten’.
inspringenEn die advocaat die het psychiatrisch rapport van zijn client voor omhoog hield en zei: ‘Dit mag ik je natuurlijk niet laten lezen. Maar weet je wat, ik moet nu even elders een uurtje bellen en ik laat het hier toevallig liggen. Wil jij misschien ook nog een kopje koffie?’

Waarom specialiseerde je je op de ‘alledaagse misdaad’?
Voor spectaculaire verhalen over psychopaten, kinderverkrachters en zware criminaliteit heb ik nooit veel enthousiasme kunnen opbrengen. Voor mij waren juist de kleine, onopvallende krantenberichtjes het meest de moeite waard. Ik werd geboeid door in principe normale mensen, die op de een of andere manier, als slachtoffer of als dader, aan de verkeerde kant van de lijn tussen goed en slecht terecht waren gekomen.
inspringenIn die zin was mijn misdaadcarriere eigenlijk een soort studie naar al die verschillende gedaantes waarin het kwaad het leven, en als je niet oppast ook je ziel, kan binnensluipen.

Waarom ben je er mee gestopt?
Na vijf jaar merkte ik dat ik me wel lang genoeg had verdiept in wat een mens slecht maakt. Het was tijd om uit te gaan zoeken wat een mens góed maakt. Of tenminste waardevol, productief of op een andere, voor mij invoelbare manier interessant. Het was, kortom, tijd voor betere levens.