book book book book

Biografie Bernhard

Rede uitgesproken bij presentatie Juliana en Bernhard, het verhaal van een huwelijk. November 2008. 

Ik zal het u maar meteen eerlijk zeggen: ik had liever niets over dit boek gezegd. Ik vind namelijk dat je eigenlijk je mond hoort te houden als het gaat om een terrein waarop je zelf nog niets hebt laten zien. En weliswaar werk ik momenteel aan een biografie van Prins Bernhard, maar gepubliceerd heb ik nog niets. Afgezien van deze kleine bijdrage ben ik dan ook vast van plan mij stil te houden tot eind volgend jaar mijn eigen boek verschijnt.

Dat ik nu toch iets zeg over dit onderwerp heeft vooral te maken met de persoon van Cees Fasseur, die ik de afgelopen jaren heb leren kennen als een inspirerend en zeer behulpzaam collega. In de aanloop van de presentatie van ‘Juliana & Bernhard’ heb ik ook kennis gemaakt met wat ik nog het beste kan omschrijven als zijn ‘charmante doortastendheid’ – iets wat hem ongetwijfeld goed van pas is gekomen in zijn contacten met het Koninklijk Huis. Het is immers op zich al een hele prestatie dat hij erin geslaagd is om toegang te krijgen tot dat Heilige der Heiligen – het Koninklijk Huisarchief. Eerst voor zijn prachtige Wilhelmina-biografie, nu voor een onderzoek naar de zogenoemde Hofmans-affaire die al meer dan een halve eeuw als een soort Heilige Graal boven de Nederlandse journalistiek hangt.  

Laat ik voorop stellen dat ik als Bernhard-biograaf zonder meer heel blij ben met het verschenen boek. Voor mijn onderzoek is het een goudader. Het levert een schat aan nieuwe details op, die mijn beeld van Bernhard in deze periode van zijn leven aanvullen, verrijken en completeren. Het is zonder meer een mijlpaal in de serieuze geschiedschrijving van het Koninklijk Huis, en daarnaast ook nog, zoals we van Fasseur gewend zijn, uiterst leesbaar.
Minstens zo belangwekkend  is het feit dat dit boek afrekent met in ieder geval een deel van de duizelingwekkende hoeveelheid mythes en theorieën die er in de loop der tijd rond de Hofmans-affaire gesponnen zijn. Zo maakt Fasseur overtuigend duidelijk dat de Hofmansgroep niet bestond uit ijskoude, op macht en politieke invloed beluste Raspoetins, maar eerder uit een stelletje goedbedoelende warhoofden, die oprecht geloofden dat ze Juliana met hun bemoeienis tot steun waren.
In feite speelden politieke overtuigingen, zoals Fasseur aantoont, slechts een marginale rol in het conflict op Soestdijk.  Het was bovenal een eigenlijk nogal treurig stemmende echtelijke crisis, zoals die in de beste families kunnen voorkomen en die eigenlijk binnenskamers had behoren te blijven. Dat de zaak toch in het publieke domein terecht gekomen is en überhaupt zo’n politieke lading heeft kunnen krijgen is te danken of te wijten – het is maar net hoe je het bekijkt – aan Prins Bernhard, die de zaak als zodanig in de lente van 1956 naar buiten heeft gebracht.

Betekent het bovenstaande dat met dit boek nu eindelijk het laatste woord over de Hofmansaffaire is gezegd - iets wat ongetwijfeld de hoop en de bedoeling is geweest van degenen die besloten het rapport-Beel nu openbaar te laten maken. Eerlijk gezegd ben ik daar minder zeker van. En dat heeft minder met de capaciteiten van Cees Fasseur te maken als wel met het feit dat deze in de loop der tijd tot zulke onwaarschijnlijke proporties opgeblazen affaire in feite niet meer was dan een huwelijkscrisis. Op koninklijk niveau weliswaar, maar daarom nog niet minder privé. Iedereen die wel eens een echtelijk conflict van nabij heeft mogen meemaken – en wie heeft dat niet -  weet hoe moeilijk het is om in een dergelijk emotioneel mijnenveld een absolute – laat staan een historische - waarheid te definiëren. 
Als lezer, of misschien moet ik in dit verband benadrukken ‘lezeres’, kon ik me niet aan de indruk onttrekken dat Cees Fasseur met name bij het trekken van zijn conclusies, een uitgesproken mannelijk perspectief heeft gehanteerd. Het vreemde is dat ik dat gevoel bij zijn Wilhelmina-biografie helemaal niet had - maar misschien komt dat wel omdat Wilhelmina, zoals werd gezegd, de enige kerel in haar kabinet was. Bij dit boek echter lijkt Fasseur vrij nadrukkelijk de kant en de zienswijze van Bernhard te kiezen. Net als de prins beschouwt hij Hofmans en consorten als de oorzaak en aanstokers van de huwelijksmoeilijkheden, en hun verwijdering als de oplossing ervan.

Op grond van het in zijn boek gepresenteerde materiaal kwam ik zelf eigenlijk tot een heel andere conclusie – namelijk dat Hofmans en haar vrienden niet zozeer de oorzaak van de echtelijke crisis waren, als wel een symptoom. De echte oorzaak lag in het totale gebrek aan emotioneel evenwicht binnen het huwelijk zelf. Om het simpel samen te vatten: Bernhard ging zijn eigen gang, Juliana had zich daar maar aan aan te passen.
‘Zij accepteerde dat,’ aldus Fasseur en er zijn natuurlijk huwelijken denkbaar waarin met wederzijds goedvinden ruimte is voor zaken als overspel. Maar in dit geval waag ik dat toch te betwijfelen. Voor Juliana was haar verbintenis immers bepaald geen verstandshuwelijk – integendeel en misschien vooral ook wel: helaas. Zoals haar secretaris Van Heeckeren, die er in Fasseurs boek overigens ongenadig van langs krijgt, in een ongepubliceerd interview zei:

Ik zal het u maar ronduit zeggen: zij houdt hartstochtelijk veel van de prins. Zij is gek op de prins. Zij wil alles doen om de prins te houden. … Als de prins in haar omgeving is, is zij nerveus. Hij biologeert haar. Zij is niet alleen vol genegenheid voor de prins, zij is verliefd op hem als een achttienjarig meisje op haar eerste minnaar. Iedere dag verlangt zij naar hem; dat is haar tragedie. En de prins maakt hiervan misbruik.

Misschien ligt het aan mijn vrouwelijk perspectief, maar dit klinkt mij niet in de oren als een vrouw die het er oprecht mee eens is dat haar man zijn minnares uitnodigt voor gezinsvakanties. Het lijkt mij waarschijnlijker dat Juliana haar verdriet over de vorm die haar huwelijk had gekregen wegslikte, tot ze – misschien ook onder invloed van het feit dat ze inmiddels koningin geworden was – op een gegeven moment in opstand kwam tegen haar lot. ‘Zij snakt naar verlossing uit haar eenzaamheid,’ zoals haar secretaris het uitdrukte.
Hierbij vond Juliana steun bij wat de Hofmans-groep is gaan heten. Maar het lijkt mij dat het in principe ook willekeurig andere mensen hadden kunnen zijn – zolang ze haar maar gaven wat ze mistte in haar huwelijk: bevestiging, warmte en troost. Dat ze deze vrienden uiteindelijk opgaf en zich neerlegde bij de nogal magere affectie die Bernhard haar betoonde, laat eens te meer zien hoe belangrijk hij voor haar was en hoe onevenwichtig dit huwelijk in wezen was.  

Ik noemde zoeven al even het feit dat het in dit soort hele persoonlijke conflicten bijna onmogelijk is om een absoluut gelijk te formuleren. Om het maar even simpel te zeggen: mijn mening is net zo goed of slecht als die van ieder ander. Ik besef terdege dat mijn andere interpretatie van de feiten verband zou kunnen houden met het simpele feit dat ik een vrouw ben, en ook nog eens van een andere generatie. Ik ben dan ook heel benieuwd hoe anderen de komende dagen en weken over dit boek zullen oordelen.
Ondertussen is het zonder meer een verdienste van Fasseur, dat hij, hoe uitgesproken hij zelf ook is, toch genoeg ruimte overlaat voor andere conclusies dan de zijne. Ik hoop van harte dat ik straks bij mijn Bernhard-biografie in staat zal zijn om datzelfde te doen. Daarbij beschouw ik het maar als een gelukkig toeval dat ik zal worden bijgestaan door een promotiecommissie die tot dusverre geheel uit mannen – onder wie Cees Fasseur zelf – bestaat. Hopelijk zullen ze mij op het rechte pad houden als mijn vrouwelijk perspectief al te zeer met mij op de loop zou dreigen te gaan, en kan de lezer over een jaar oordelen in hoeverre hen dat is gelukt. Tot die tijd wilde ik het graag hier bij laten.    



Waarom Prins Bernhard?
Bernhard 100Als er een rode draad in mijn werk te vinden valt dan is het wel mijn behoefte om ‘achter’ mythes te kijken. In mijn journalistieke tijd heb ik ooit een verhaal over Bernhards Londense jaren gemaakt en toen viel me al op hoe diep de kloof was tussen wat men – ten goede of ten kwade – van hem dacht, en de vaak veel prozaïscher werkelijkheid daarachter. Daarnaast spreekt het historische aspect van dit leven me aan: Bernhard is met zoveel draadjes aan de wereldgeschiedenis verbonden dat je met zijn verhaal tegelijkertijd dat van een hele eeuw kunt behandelen. Hij is ontegenzeggelijk een van de meest tot de verbeelding sprekende figuren van de vorige eeuw en verdient alleen daarom al een serieuze biografie.
Ten slotte is er nog een meer persoonlijke reden. Tot dusverre waren mijn hoofdpersonen vooral vrouwen, en ik wil wel eens kijken of ik een overtuigend boek kan maken over een man. En Bernhard is, in ieder geval op het eerste gezicht, natuurlijk één van de meest ‘mannige’ mannen die je je kunt voorstellen.
 
Wat voor soort boek zal het worden?
Het boek zal ruwweg dezelfde vorm krijgen als dat over Annie M.G. Schmidt, dus een op Angelsaksische leest geschoeide biografie met een sterke nadruk op het verhalend element. Dit omdat ik dit voor een biografie simpelweg de mooiste vorm vind. Net als in Anna zal ook hier de achterliggende psychologische vraag zijn : What makes Sammy run? Wat waren de drijfveren van de hoofdpersoon, wat heeft hem als mens en als historisch personage gevormd en vanuit welke karakterstructuur en wereldvisie nam hij zijn beslissingen?
 
En…komen er nog onthullingen in te staan?
Eerlijk gezegd heb ik altijd een beetje een hekel aan deze vraag. Bernhard is – overigens niet in ’t minst door zijn eigen toedoen – altijd al zo in de sfeer van onthullingen en sensatie getrokken. Hij was een onrustig mens, met een zeer onoverzichtelijk leven. Mijn ambitie is nu juist om uit die hele wirwar van verhalen, mythes en geruchten een solide, overzichtelijk en samenhangend verhaal te distelleren. Ik zoek dus niet zozeer naar onthullingen op zich, maar eerder naar een nieuw beeld, dat hem verklaart en in historisch perspectief zet.
 
In hoeverre verleent de Koninklijke Familie haar medewerking?
Ik voel me tot nu toe op een heel prettige en coöperatieve manier door de RVD bejegend, maar hoe ver die medewerking uiteindelijk zal – en vooral kan – gaan is iets wat het verloop van dit project zal moeten uitwijzen. Zo’n nauwe samenwerking met de familie als ik bij mijn vorige boeken had is in dit geval natuurlijk niet mogelijk, en dat mis ik ook wel. Dat wordt echter weer gecompenseerd door alle hulp en medewerking die ik verder ondervind. Sinds bekend is dat ik met dit onderwerp bezig ben duiken werkelijk uit alle hoeken en gaten mensen op met verhalen en tips. De één heeft een oom die met hem ging jagen, de ander een nicht die bij zijn staf werkte; weer een ander kent hem nog uit de oorlog of uit een van de vele maatschappelijke organisaties waarin hij actief was.
Ik ben daar echt heel blij mee. Niet alleen vanwege de – vaak waardevolle – informatie zelf, maar ook omdat ik me er moreel door gesteund voel: het is alsof het hele land vindt dat het tijd is voor een evenwichtig boek over Bernhard, en dat mij wel toevertrouwt. 
 
De mogelijke verschijningsdatum van het boek is nu al een paar keer verschoven. Wat is er aan de hand?
Ten eerste was Sonny Boy aan de hand, dat natuurlijk veel en veel groter is geworden dan verwacht. En, zoals Geert Mak me eens zei: ‘Als je eenmaal succes hebt, lijkt er een soort samenzwering te ontstaan die er op gericht is dat je nooit meer een boek zult schrijven.’ Daar weet ik inmiddels dus aardig van mee te praten. Daarbij bleek dit project nog een stuk arbeidsintensiever dan ik van tevoren had gedacht. De man heeft zo veel gedaan, op zoveel verschillende gebieden ... En ik wil het toch graag een beetje goed doen.
 
Hoe ver ben je nu?
Er is inmiddels een heel dik basismanuscript, maar er zijn nog steeds allerlei losse eindjes die ik graag vastgeknoopt zou zien en mensen die ik graag wil spreken. En dan moet ik het natuurlijk nog omwerken tot een goed leesbaar boek, iets waar ik dit jaar een flink eind mee hoop te komen. Maar ik wacht sowieso met publiceren tot na het boek over de Hofmans-affaire dat Cees Fasseur nu op verzoek van het Koninklijk Huis aan het schrijven is.
 
Waarom? Jullie boeken overlappen gedeeltelijk: je zou toch zeggen dat je juist voor zijn boek zou willen uitkomen?
Nee hoor, ik hoef niet zo nodig de eerste te zijn. Mijn boek is in de eerste plaats voor lezers, niet voor journalisten die nieuws willen. En Fasseur heeft nu eenmaal vrij toegang tot het Huisarchief en dus tot materiaal wat van belang is voor mijn verhaal en het alleen maar beter en sterker kan maken. Uit collegiale overwegingen wil ik ook niet direct ná hem komen. Gelukkig is hij nu lekker aan het schrijven en hij verzekerde me onlangs dat zijn boek, zoals het er nu naar uitziet, begin 2009 in de winkels ligt. Daarna heb ik vrij baan.
 
Hoe denk je dat de beide boeken zich tot elkaar verhouden?
Ik denk dat ze perfect op elkaar aansluiten. Fasseur belicht een specifiek stuk uit Bernhards leven, ik concentreer me op het geheel van dat leven. Samen denk ik dat we een heel eind komen. We hebben geregeld contact en dat is heel plezierig, al is het maar omdat we bepaald niet bang hoeven te zijn elkaar te vervelen met ons favoriete gespreksonderwerp.
 
En wat ga je daarna doen?
Bij dit project zit de uitdaging vooral in het onderwerp zelf: zal het me lukken om dit leven, deze man, op een overtuigende en daarnaast ook nog leesbare manier te vatten in een boek? Daarna wil ik, net als na Anna, weer iets gaan doen waarin ik een beetje kan experimenteren met vorm en stijl – iets kleins, voor mezelf, net zoals Sonny Boy destijds bedoeld was.