Over Annejet
- Biografie
- Columns en meer
- Interviews
Biografie
‘Ik groeide op in een lerarengezin in Friesland, en wist al vrij vroeg dat ik iets met schrijven wilde doen. Niet alleen omdat ik veel van boeken en lezen hield, maar ook omdat het me zo’n mooie manier leek om de wereld te ontdekken. In eerste instantie studeerde ik kunstgeschiedenis, later ben ik overgestapt op massacommunicatie en daarin ben ik afgestudeerd in Amsterdam. Omdat er in Nederland toen nog geen postdoctorale opleidingen journalistiek bestonden, ben ik in 1998 naar Londen gegaan om daar een MA International Journalism te doen. Onderdeel van die studie was een aantal stages, zowel in Engeland als hier in Nederland, en zo ben ik als redactrice bij de toenmalige Haagse Post terecht gekomen, net voor dit blad fuseerde met De Tijd.
Bij HP/De Tijd realiseerde ik me al snel dat ik niet in de wieg gelegd was voor de “harde” nieuwsjournalistiek, en specialiseerde ik me in reconstructies en portretten – journalistieke genres waar ik in Engeland natuurlijk de mooiste voorbeelden van had gezien. Ik vond en vind het boeiend om met allerlei mensen over een bepaald onderwerp te praten, er veel over te lezen, en dan uit al die bronnen een samenhangend verhaal bij elkaar te puzzelen en dat vervolgens zo mooi mogelijk te vertellen. Wat betreft mijn onderwerpen was ik heel vrij: ik schreef over bekende en onbekendere mensen, maar ook over groepen kunstenaars die samen een bewogen periode meemaakten, over misdaden en politieke gebeurtenissen, zoals de krakersrellen op Koninginnedag 1980 of de Hollanders die in mei 1968 naar Parijs trokken. Maar altijd zat er een sterke historische component in, en de basisvraag was: hoe is het allemaal zo gekomen? En vervolgens: hoe heeft het uitgepakt?
Mijn eerste boek, Jagtlust, was een logisch vervolg op het journalistieke werk. Al jaren hoorde ik in literaire kringen de verhalen over dat mythische landgoed in het Gooi, waar zich in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw alles verzamelde wat jong en artistiek was, maar waar nooit over geschreven kon worden omdat de voormalige hoofdbewoonster, de dichteres Fritzi ten Harmsen van der Beek, dat niet wilde. Met name dankzij de medewerking en het vertrouwen van uitgever Theo Sontrop en Remco Campert – die ik al kende van eerdere artikelen – heb ik de geschiedenis van het Jagtlust toch kunnen vastleggen in het gelijknamige boek, dat in 1998 bij Meulenhoff verscheen.
De stap naar een “echte”, groot opgezette biografie was toen niet zo groot meer, al betekende dat wel een stap uit de journalistiek. Eind 1999 nam ik ontslag om te gaan werken aan de biografie van Annie M.G. Schmidt. In dit geval waren het met name de zoon van de schrijfster, Flip van Duijn, en haar uitgeefster Ary Langbroek, die een stimulerende rol speelden. Vanaf het allereerste begin geloofden zij in het soort boek dat ik voor ogen had: een op Angelsaksische leest geschoeide biografie, dat enerzijds het zo compleet mogelijke levensverhaal zou bevatten, maar tegelijkertijd ook een spannend verhaal zou zijn, iets wat je ook kon lezen als je nog nooit van Annie M.G. Schmidt gehoord had. Gewoon, omdat het altijd boeiend is om te zien hoe mensen hun leven leiden, wat ze doen met de kaarten die ze door het lot toegespeeld krijgen en het historisch kader waarbinnen het geheel zich afspeelt.
Anna kwam in november 2002 uit en bleek zo’n succes dat ik het invalbaantje dat ik al voor mezelf op de eindredactie van Vrij Nederland geregeld had, kon afzeggen. Opeens had ik de ruimte om nóg een boek te schrijven – en ik wilde niets liever, want na twee stille jaren met Annie op zolder, was het flink wennen zelf het middelpunt van de publieke aandacht te zijn. En toen dacht ik aan een verhaal dat ik jaren eerder gehoord had en dat me altijd was bijgebleven – dat van twee mensen die ergens in het laatste oorlogsjaar spoorloos verdwenen waren onder de puinhopen van de wereldgeschiedenis, met alleen een zoon en de herinnering aan hun buitengewone liefdesgeschiedenis als erfenis.
Ik heb twee jaar met veel liefde gewerkt aan het opgraven en navertellen van de verdwenen levens van Waldemar en Rika Nods, zonder overigens ooit de illusie te hebben gehad dat dit kleine boek het succes de Schmidt-biografie ook maar zou kunnen benaderen. Maar nadat we het eerste exemplaar op 17 november 2004 aan hun zoon op zijn 75ste verjaardag hadden gepresenteerd, bleek het verhaal niet alleen op mij een onverklaarbare aantrekkingskracht te hebben gehad. Sonny Boy ontwikkelde zich tot wat boekhandelaren omschrijven als een “megaseller”, en bracht mij een vooruitzicht op een leven waarin ik zou kunnen blijven schrijven.
Ik besef dat ik als schrijfster de wind mee heb. Literaire non-fictie is één van de populairste genres van dit moment, en geschiedenis is zelfs “in”, zoals dat heet. Vooral dat laatste is belangrijk, want hoe uiteenlopend mijn onderwerpen ook zijn, de rode draad is altijd de geschiedenis, en met name de manier waarop de lotgevallen van de “kleine” mens zich verhielden tot de grotere gebeurtenissen erom heen. Het onderwerp van mijn volgende biografie – waarop ik bij professor Hans Blom als historica hoop te promoveren – is dan ook een man die me juist als product van zijn tijd en milieu fascineert, en wel Prins Bernhard, de in 2004 overleden vader van onze koningin. Met dit onderwerp kom ik weer in een heel nieuwe, onbekende wereld terecht, maar dat is juist het prettige eraan: voor mij blijft schrijven bovenal een spannende ontdekkingstocht, zoals lezen dat ook altijd geweest is.’
Naar boven
Columns en meer
Lofrede op Twee Vrouwen van Harry Mulisch, dat centraal stond tijdens Nederland Leest 2008.
EEN PARK AAN ZEE
Het is altijd gevaarlijk om een favoriet boek te herlezen. Een beetje zoals het weerzien van een jeugdliefde. Zal het tegenvallen? Zul je begrijpen wat je er destijds in zag? Of erger nog – zul je tot de ontdekking komen dat niets er ooit meer echt tegenop gekund heeft? En toch waagde ik me opnieuw aan Twee vrouwen van Harry Mulisch, een van de weinige boeken uit mijn middelbare-schooltijd waarvan ik me herinner dat ik het met plezier gelezen heb. Eigenlijk is dat vreemd, want op de lagere school was ik een echt leeskind. Tot mijn beste jeugdherinneringen behoren de eindeloze zondagen en verregende vakanties waarin ik kon verdwijnen in bij voorkeur zo dik en spannend mogelijke boeken. Eens heb ik me zelfs laten opsluiten in de plaatselijke jeugdbibliotheek – per ongeluk, want zo verdiept in een verhaal dat ik de sluitingsbel niet had gehoord. De politie moest er nog aan te pas komen om me te bevrijden.
Maar eenmaal op de middelbare school veranderde alles. Ik zie onze lerares Nederlands nog voor me. Het haar strijdbaar kortgeknipt, geen spoortje make-up en de pronte gestalte gehuld in een vormeloos, zelfgeverfd paars T-shirt. Op haar bewust behaloze boezem prijkte een button met een vrouwentekentje, een gebalde vuist in het midden. Sinds haar scheiding had ze zich helemaal gestort op haar werk: het ons bijbrengen van de zegeningen van de eigentijdse literatuur.
Braaf worstelde ik me door haar favorieten heen, al oogden ze niet erg aantrekkelijk, met van die langharige, zwaar bebrilde schrijvers die me vanaf de achterflap tobberig aanstaarden. Terecht, zo bleek, want de alledaagse werkelijkheid die zij geheel volgens de destijds heersende literaire mode zo ‘realisties’ mogelijk beschreven gaf weinig reden tot vrolijkheid. Er gebeurde werkelijk niets in die boeken. En als er al iets gebeurde, was dat ontluisterend, doelloos of ronduit smerig – of dit alles tegelijkertijd. Lachen gebeurde hoogstens met grimmig cynisme, om de verrotte samenleving waarin de personages hun leven sleten. Dat was nog eens andere kost dan de sprookjes uit mijn kinderboekenparadijs. Toen ik de juf bekende dat ik die boeken eigenlijk niet zo heel mooi vond en er zelfs een beetje somber van werd, reageerde ze enthousiast. Dát was nu de essentie van literatuur, legde ze uit: het feilloos beschrijven van het menselijk tekort, de onmogelijkheid van de liefde en de algehele zinloosheid van het bestaan. Op zich al tamelijk onthutsende constateringen voor de vijftienjarige die ik toen was, nog helemaal nieuw en nieuwsgierig naar het leven en de liefde. Maar het allerergste vond ik dat boeken er blijkbaar niet langer waren om aan de verveling van alledag te ontsnappen, maar juist om je daar tot in de diepste vezels van je wezen van te doordringen.
Helaas, de deuren van de jeugdbibliotheek – waar ik sinds het insluitavontuur toch al niet bijster populair was – waren voorgoed voor mij gesloten. Alleen in de lessen Grieks en Latijn vond ik nog iets terug van de verhalen waar ik zo van hield. Groots en meeslepend, spelend in verre oorden waar de zon altijd scheen – of in ieder geval vaker dan in de grijze provinciestad waar ik opgroeide.
Achteraf is dus geen wonder dat Twee vrouwen me destijds wel aansprak. Je hoeft immers geen groot literatuurwetenschapper te zijn om te zien dat Mulisch zich bij het schrijven van dit boek met graagte liet inspireren door allerlei thema’s uit de klassieke mythologie: liefde, verraad en dood. En dat alles omgeven door een verlangen naar weidse vertes – naar ‘Weg’, zoals hij zijn vrouwelijke hoofdpersoon zo prachtig laat verwoorden. Twee vrouwen is namelijk nog steeds een mooi boek. Het vertelplezier spat ervan af. Op zich natuurlijk geen opzienbarende conclusie bij een schrijver als Mulisch, maar wat me echt verraste, en ook raakte, was hoeveel ik me nog van het boek bleek te herinneren. Niet eens het verhaal zelf, maar vooral de details. De sfeer van een park direct aan zee, de ontroerende nutteloosheid van mannentepels, de vaste curve van een mensenlichaam… Kennelijk waren deze beelden al die jaren met me meegereisd, zonder dat ik wist waar ik ze vandaan had. In die zin vond ik niet zozeer het boek terug, maar mezelf.
De Britse schrijver Tolkien zei ooit dat alles wat je leest in je geest vergaat tot een soort humus, een voedingsbodem waar nieuwe dingen op kunnen groeien. Mijn hernieuwde kennismaking met Twee vrouwen deed me beseffen hoezeer dit boek deel is van mijn bodemlaag. Des te beter dat het nu in zo’n enorme oplage over Nederland wordt uitgestrooid – voor herlezers een kans op de verwondering van het herkennen, voor nieuwe lezers een kans op de blijdschap van het leren kennen.
CIRCUS JETJE (eerder gepubliceerd als Hollands Dagboek, NRC Handelsblad, 19 maart 2005)
Woensdag 9 maart 2005
Vroeg op wegens boekenbal-logées, katterig vanwege datzelfde bal. Niet alleen omdat het daar laat werd, maar vooral door de uitgebreide evaluatie thuis onder de hanenbalken, in pyama en met veel wijntjes. Eensgezind concluderen dat dit ons gezelligste bal ooit was – haast gemoedelijk qua sfeer. En zo verloren als eerdere jaren voelden we ons ook niet meer. Al blijft het natuurlijk wel de jaarlijkse literaire apenrots. Hoe mooier het plekje dat het CPNB je heeft toebedeeld, hoe meer aapjes staan te kijken en te bedenken dat zíj daar eigenlijk hadden moeten zitten.
Ondertussen loop ik me tussen de rondslingerende feestkleding, lege flessen en logeerbedden warm voor de aftrap van m’n lezingentournee, vanavond in Tilburg. Tussen de bedrijven een haastig afscheid van J., die een week voor werk naar Frankrijk gaat. ‘Circus Jetje’ zoals hij mijn uithuizige activiteiten noemt, is vanaf nu een one-woman-show.
Met het oog op filegevaar besluit ik al om vier uur weg te rijden met de onlangs speciaal voor dit doel aangeschafte auto, om precies te zijn een panda met alle veiligheidsbevorderende gadgets die de dealer maar in huis had, waaronder maar liefst zes airbags. Dat laatste omdat ik behalve een rijbewijs (gehaald in het rustige Friesland), ook in het bezit was van een diepgaande rijvrees (opgedaan in het immer hoffelijke Amsterdamse stadsverkeer). Inmiddels rij ik er nog wat onwennig, maar toch al reuze trots in rond.
Naar Tilburg leer ik in ieder geval filerijden – het is al bijna zeven uur als ik door de dienstdoende interviewer als een (zijn woorden) ‘verdwaald vogeltje’ van een stadspleintje geplukt wordt. Vogeltje wordt gevoederd, zit om acht uur scherp op het podium, en kwettert er lustig op los. Boekenweek 2005 is nu echt begonnen.
Donderdag 10 maart
Dat ik vannacht heelhuids thuisgekomen mag een wonder heten – en dat lag geenszins aan het de Tilburgers of de ontvangst in boekhandel Gianotten. ’s Avonds zo’n eind naar huis rijden blijkt toch iets anders dan een ritje maken op een mooie zondagmiddag met een man die voor je inparkeert. Vooral het vinden van een parkeerplaats rond middernacht in de oude binnenstad van Amsterdam is een ramp. Uiteindelijk draai ik ‘m met bonzend hart achterin in op een zelfs voor een pandaatje onmogelijk smalle plek aan de Achterburgwal, angstwekkend dicht aan de waterkant. Me vastklampend aan de dakrails weet ik er uit te komen zonder zelf in de gracht te belanden, maar het duurt uren voor ik rustig genoeg ben om de slaap te vatten.
De volgende ochtend de agenda er maar eens bij gepakt om te zien hoeveel lezingen er de afgelopen maanden nu eigenlijk precies zijn binnengedruppeld. Ietwat ongelovig tel ik er zestien – en dat op slechts twaalf dagen. Goddank hoef ik vanavond niet alleen. Als vriendin M. die middag aan komt fietsen om me te vergezellen naar een boekhandel in Rotterdam-Overschie sta ik al met het autosleuteltje te wapperen. Leren rijden doe ik voorlopig wel búiten de boekenweek.
Vrijdag 11 maart
Ik word met een schok wakker: ik droomde dat ik op een treinstation stond en me plots herinnerde dat ik die middag een lezing had. In paniek rende ik naar het perron, maar daar bleek de trein finaal uit de rails gereden, het hele spoor versperrend. En geen panda te bekennen. Eenmaal wakker realiseer ik me dat die lezing vanmiddag pas is, en dat ik behoorlijk in de stress begin te raken.
Aan Overschie lag het niet – lieve boekhandelaarsters, prachtige lokatie, prettig publiek . Het ligt aan mij. Ik ben gewoon niet gebouwd op het artiestenbestaan. Op het moment zelf gaat het prima en vind ik het zelfs echt leuk, maar na afloop ben ik een leeg ballonnetje. En dat late thuiskomen en onregelmatige eten is een ramp voor zo’n doorgewinterde huismus als ik. Maar the show must go on en dus manoevreer ik de panda rond het middaguur door weer en wind naar Leiden. Naast me uitgever V., die geen rijbewijs heeft en bovendien liever boeken leest dan kaarten. Ik dank de hemel voor mijn navigatiesysteem, door J. voorzien van een warme Belgische damesstem en sindsdien Germaine gedoopt.
In boekhandel Van Stockum legt een aimabele historicus mijn Sonny Boy onder de wetenschappelijke loep. Ik vang iets op over ‘problematiseren’. Ik had, begrijp ik, iets moeten problematiseren of juist niet? Vervolgens race ik terug naar Amsterdam, alwaar literair agent P. en diens vriend annex chauffeur W-J me opwachten om door te rijden naar een boekhandel in Almere. De ruimte tussen de boekenkasten blijkt klein, het publiek groot en de geluidsinstallatie afwezig - wat betekent dat, wil iemand er nog wat meekrijgen, ik niet alleen de hele avond moet staan maar ook hard moet praten. Een opgave, want sinds ik in het showcircuit werkzaam ben, ben ik er achter gekomen dat mijn stem niet ver draagt, zoals dat in vaktermen heet. Maar ze zitten me weer allemaal zó verwachtingsvol en stralend aan te kijken, dat ik de benodigde energie toch maar verzamel, al moet het onderhand uit mijn tenen komen.
Uitgeput en vooral uitgehongerd eindig ik laat die avond in een chinees wegrestaurant, waar P. zijn charmes in de strijd gooit om de kok zo ver te krijgen me ondanks het late uur weer op verhaal te brengen met kippensoepjes. Tegen middernacht rol ik in bed, maar na een paar uur schrik ik wakker. O god - ik heb Germaine in de auto laten zitten … Dat betekent in deze buurt gegarandeerd autobraak. Uiteindelijk vind ik haar onder in mijn tas. Ze staat nog steeds aan, en als ik haar vastpak zegt ze: ‘Over vijftig meter rechtsaf.’
Zaterdag 12 maart
Dipdag. Mis man, mis mijn eigen rust en regelmaat. Zie scheel van alle complimenten en wit van slaapgebrek, en zit de hele dag te sippen op de bank. Zo rustig en overzichtelijk als mijn gewone leven is, zo verwarrend, kleurig, druk en intensief is het nu. De aandacht is nog een stuk heftiger dan bij Anna, en bovendien kon ik me toen lekker verschuilen achter Annie M.G.Schmidt. Nu lijkt het wel alsof mijn huid na elk optreden dunner wordt. En dan word je ook nog eens bepoteld en besnuffeld door de media … ‘De verleiding van Annejet’ kopt een krant naar aanleiding van een optreden. Welja.
En ondertussen gaat de hele wereld er van uit dat ik loop te huppelen van plezier omdat het allemaal zo goed gaat. ‘Iedere lezeres wil jou zijn’ mailt een vriend naar aanleiding van een reportage in een vrouwenblad. Maar ik wil mezelf vandaag helemaal niet zijn, en voel me dus nog ondankbaar bovendien. Buiten is het koud en naar, en vanavond moeten we naar de Leesnacht in Den Haag. Gelukkig gaat uitgeefster a.i. J. mee, mét rijbewijs.
Zondag 13 maart
Vandaag, hoera, is een lummeldagje. Ik verzoen me weer een beetje met mijn bestaan – de Leesnacht was tenslotte toch wel heel leuk om mee te maken. Ik had een perfecte interviewer en was daar niet de enige en zeker niet de grootste attractie, dus kon heel ontspannen rondlopen. In m’n oudste kloffie naar de sportschool, boodschappen gehaald, post gedaan. ‘s Avonds bij buurvrouw M. voor de televisie gehangen. Vroeg naar bed, voor het eerst in tijden weer eens lekker doorgeslapen.
Maandag 14 maart
De nieuwe week hakt er meteen flink in, met achter elkaar een literaire lunch in Ulvenhout, High Tea in de Bredaase bibliotheek, diner bij de Rotary en literaire avond in de bibliotheek van Oosterhout. En ik maar babbelen, babbelen, babbelen …. Marketingbaas P. van de uitgeverij scheurt de panda rond alsof het haar eigen bolide is en de immer enthousiaste boekhandelaar R. van Van Kemenade & Hollaers, tevens aanstichter van dit alles, sleept me met verve door alle optredens heen. Moe en met een lam signeerpootje, stommel ik laat die avond de trappen naar mijn huis weer op, mijn armen vol bloemen en bonbons.
De mooiste bloemen kwamen van een 85-jarige man die het woord nam tijdens de lunch. Hij had zelf in allerlei kampen gezeten en zijn leven lang nooit een boek over de oorlog willen lezen. Maar aan Sonny Boy was hij toch begonnen. En beter nog, hij had het uit kunnen en willen lezen. Terwijl hij sprak kroop ik bijna onder tafel van verlegenheid, maar het maakte mijn dag, misschien wel de hele week.
Dinsdag 15 maart
Het voordeel van zo’n marathon is wel dat één optreden per dag opeens een makkie lijkt. Vanavond naar Medemblik, wat betekent dat ik overdag tijd heb om huis op te ruimen, bloemen in het water te zetten, de wasmachine te laten draaien. En buiten lonkt de lente – op het dakterras zijn opeens krokussen en blauwe druifjes verschenen.
Woensdag 16 maart
Voor een kleine plattelandsbibliotheek had Medemblik een mooie opkomst, die bovendien iets bijzonders meemaakte, want ik werd vergezeld door S., schoondochter van Sonny Boy. Niet in het minst gehinderd door de plankenkoorts die mij nog wel eens parten speelt, vertelde ze hoe het was als je familie tot onderwerp van een boek gemaakt werd. Het publiek hing aan haar lippen, en ik ook – al was het maar omdat mijn eigen stem ernstige slijtageverschijnselen begint te vertonen. En om het feest compleet te maken hadden de parkeergoden een plekje pal voor mijn huis voor me vrijgehouden.
Vandaag is de lente definitief doorgebroken, en mijn goede humeur ook. De rozemarijn bloeit, man is weer terug en vanavond sta ik in Badhoevedorp, wat betekent dat ik gewoon thuis kan koken en eten. En van de berichten van het verkoopfront word ik toch ook wel heel blij: de uitgeverij meldt dat precies vier maanden na verschijnen de 50.000ste Sonny Boy de toonbank over is gegaan. Wie had ooit kunnen denken dat dit kleine verhaal zó’n hit zou kunnen worden?
Donderdag 17 maart
De Badhoevedorpse bibliotheek deed niets om het feestje te verstoren, en Boekhandel Bouman liet de wijnkurken in De Bildt vrolijk ploppen. Heel fijn, ook voor de lezinggevende, want het is toch allemaal net wat specialer met een glaasje wijn in mooi licht dan met een plastic bekertje onder de kale neonlampen. De voor mij mooiste reactie kwam van een bezoekster die werkte in een Rotterdamse gevangenis en vertelde dat Sonny Boy daar door Surinaamse gedetineerden gretig wordt gelezen.
Ik heb inmiddels wel in de gaten dat artiestengeluk voor een groot deel schuilt in de begeleiding: deze avond proppen de agent en twee van zijn boomlange medewerkers zich weer in de panda om te waarborgen dat mijn toch nog prille schrijversbestaan niet voortijdig sneeft tegen een vangrail. Nog twee dagen, nog vier optredens en dan is Boekenweek 2005 zelf geschiedenis en kan Circus Jetje haar tenten – voor zolang als het duurt- weer inpakken. En dan toch maar eens leren inparkeren.
Deze column verscheen eerder in Hide&Chic.
LUXE
Al jaren bewaar ik in mijn agenda een stukje papier, waarop staat: ‘Writing is a way to cheat the rule that you can only live one life’. Ik knipte het ooit uit een Amerikaans blad omdat het iets bevestigde wat ik al vermoedde – namelijk dat wij schrijvers, in tegenstelling tot het heersende cliché, een uitermate gelukkig groepje mensen zijn. En niet omdat het zo hartverwarmend fijn is om op het Boekenbal rond te lopen of je eigen boek in de boekwinkel te zien liggen. In de met mediatypes en Bekende Nederlanders volgepropte Stadsschouwburg voel ik me meestal nogal overtollig, en in de boekhandel eigenlijk niet minder – al is het maar omdat er jaarlijks maar liefst negenduizend nieuwe titels bijkomen op de Grote Boekenberg.
Voor de roem moet je vooral ook geen schrijver willen worden. Ten eerste omdat de kans daarop nogal klein is (zie die negenduizend andere titels), en ten tweede omdat op het moment dat je je in de publiciteit waagt, de hele wereld opeens verandert in één grote, duizendkoppige jury van de X-factor, mét bijbehorend commentaar. Zo’n witte blouse op jouw leeftijd – écht, niet meer doen, en trouwens, zijn er geen cursussen waarin je kunt leren leuke antwoorden te geven? En had je al eens aan een andere kapper gedacht?
Herkend worden is al helemaal geen onverdeeld genoegen. Dat gebeurt namelijk altijd op die momenten dat het níet uitkomt: onder de douche in de sportschool, chagrijnig in de rij bij de supermarkt, of – mijn eigen persoonlijke dieptepunt – wachtend op de politie, nadat ik met m’n auto een lantaarnpaal omver gereden had.
En toch zijn schrijvers gelukkig. En dat is omdat we het, zoals die Amerikaanse schrijfster zei, niet alleen hoeven te doen met ons eigen leven, maar er een tweede en vaak veel mooiere en meeslepender werkelijkheid bij hebben. Als je aan een boek werkt is het net alsof er een film in je hoofd loopt. Weliswaar nog niet goed gemonteerd, en in flarden – maar dat maakt het alleen maar spannender. Ik weet bijvoorbeeld nog precies waar en wanneer de beginscène van mijn vorige boek geboren werd. Het was op een grauwe, regenachtige dag in februari, bij een tankstation. Mijn vriend was aan tanken en ik zat een beetje voor me uit te dromen – en opeens hoorde ik de scheepstoeter van een stoomschip dat op het punt stond aan zijn reis over de oceaan te beginnen. Zwarte jongens die lachten en schreeuwden, geplons, het doffe groen van het oerwoud onder de tropenzon en daar was mijn hoofdpersoon, zwemmend in de warme, lome water van de Surinamerivier. En toen wist ik het.
Er zijn, maar dat hoef ik de lezers van dit blad niet te vertellen – veel soorten luxe in het leven. Ik noem maar wat: grote bossen pioenrozen, de geur van een nieuwe tas, het gevoel van mooie kleren, met zorg klaargemaakt eten, een brief die meldt dat er een parkeervergunning voor de Amsterdamse binnenstad voor je klaarligt. Maar er is er maar één luxe die helemaal gratis is en onder alle omstandigheden inzetbaar, die je zomaar hebt meegekregen en waar je niets voor hebt hoeven doen – en dat is verbeeldingskracht. Dus laat u vooral niets meer wijsmaken over tobberige schrijvers, die in alle eenzaamheid zitten te ploeteren op hun zolderkamertje. We zítten daar wel, maar in stilte genieten we.
De column verscheen eerder in Hide&Chic, nr. 9, najaar 2007
VERANDERING
Laatst kreeg ik tijdens een optreden een vraag naar mijn schrijfrituelen. Om me in de stemming te krijgen verhaalde de dienstdoende interviewer over Renate Dorrestein, die al dertig jaar in dezelfde trui haar boeken schijnt te schrijven. Volgens hem waste ze die zelfs nooit, zo bang is ze om de magie te verbreken. Kon ik misschien ook alleen onder bepaalde omstandigheden werken?
Dit nu had hij me niet moeten vragen. Het koude zweet brak me uit, terwijl ik een visioen kreeg van het oude vertrouwde zoldertje waar al mijn boeken bedacht en geboren zijn. En waarvan ik toevalligerwijs net de week ervoor de deur voorgoed achter me had dichtgetrokken, op weg naar een nieuw appartement en een vooralsnog uiterst ongewisse literaire toekomst. Schrijvers hóren ook helemaal niet te hoeven verhuizen, bedacht ik me treurig op de terugweg. Hun buurten zouden niet mogen veranderen in luidruchtige toeristencircussen; hun omstandigheden zouden het niet noodzakelijk mogen maken om een ander onderkomen te zoeken. Als ze bijvoorbeeld per ongeluk succes zouden krijgen, zouden hun huizen gewoon zachtjes en ongemerkt met hen mee moeten groeien, zodat ze op een dag bijvoorbeeld zomaar opeens een nieuwe, ruime werkplek zouden hebben. Verder zou alles fijn en hetzelfde moeten blijven, met als enige onderbreking een boek dat zo nu en dan eens naar buiten komt rollen.
Zo zou het moeten zijn. Maar zo is het niet. En dus moest ik zo nodig gaan verhuizen. Collega-schrijvers keken mij met een mengeling van afschuw en mededogen aan toen ik meldde eindelijk een huis gevonden te hebben. Huiverend vertelde de verder toch uiterst schokbestendig ogende Jan B. over die ene keer dat hij wegens onderverhuur zijn spullen tijdelijk elders had moeten opslaan. Maar liefst 85 kuub was er uit zijn pakhuiszolder gekomen en het had hem maanden gekost voor alles op z’n plaats lag en hij weer een letter op papier kreeg. Ook Lieve J. oogde zorgelijk: in haar jongere jaren had ze ooit wilde plannen tot verhuizing gekoesterd, maar was uiteindelijk zo wijs geweest het te houden bij de aanschaf van een koptelefoon. Daarmee kon haar man televisie kijken terwijl zij schreef – en dat doet ze tot op de dag van vandaag, het ene prachtboek na het andere. Judith K. – de enige ervaringsdeskundige, want twee jaar geleden nieuw huis gekocht – was nog het meest beslist. ‘Het is een rámp,’ zei ze. Om er troostend aan toe te voegen: ‘Maar misschien kun jij er beter tegen dan ik.’
Maar luisterde ik naar mijn collega’s? Welnee, ik bleef er lustig op los fantaseren: och, wat zou ik een comfortabel en prettig huisje krijgen, en wat zou ik floreren bij een rustige werkplek en een eetkeuken waar ik iedere avond Nigella Lawson zou kunnen spelen. ‘Mensen veranderen van een ander huis,’ zei mijn nogal filosofisch aangelegde aannemer. Ik knikte enthousiast: in mijn nieuwe onderkomen zou ik, ik wist het zeker, een all over verbeterde versie van mezelf worden.
Inmiddels zijn we ruim anderhalve maand verder. Ik ben inderdaad een héél ander mens geworden. Onthutst en ontheemd, beroofd van rust en levensvreugde en voor mijn omgeving niet te genieten. Ik verdoe mijn dagen in gordijnzaken, ijzerwarenwinkels en het magazijn van onze grote Zweedse meubelvriend; ben in geen tijden zo dun geweest en heb al in geen maanden zelfs maar een boek kunnen lezen.
Ergens diep in mij jammert een nieuw boek dat geschreven wil worden. Maar dat geluid wordt gesmoord door klopboren en zaagmachines. Gelukkig hoor ik daarboven nog wel de telefoon. Het is de vriendin die mijn zolder heeft overgenomen. ‘O, wat zit ik hier héérlijk!’ zegt ze verrukt.
Deze column verscheen eerder in Elegance, maart 2008.
MIJN EERSTE AUTO
Ik weet het: voor u is het waarschijnlijk niet meer dan vanzelfsprekend en wordt dit dus een beetje belachelijk verhaal. Maar voor mij was mijn eerste auto een keerpunt in mijn leven. Ongetwijfeld heeft dat te maken met het feit dat ik pas laat mijn rijbewijs haalde, eigenlijk vooral omdat het nooit bij iemand opgekomen was dat ik het überhaupt zou kúnnen halen.
Als kind liep ik overal tegenaan. ‘Dromerig’, zei mijn moeder. ‘Ongeconcentreerd’, zei de juf. ‘Oogafwijking’, zei de oogarts.
Veel maakte het niet uit: ik dagdroomde mijn jeugd tevreden door, zonder ooit naar iets snellers te verlangen dan een fiets. Toen ik wat ouder werd wenste ik me ook nog een man, maar dan wel eentje die goed kon autorijden. Daar was ik heel strikt in, waarschijnlijk in een onbewuste poging om mijn eigen onhandigheid te compenseren. Het leven bracht me inderdaad zo’n man en jarenlang zat ik uiterst tevreden naast hem. Tot het begon te knagen. Dat kwam vooral door die oudere dametjes die ik op de snelweg in hun kittige autootjes voorbij zag zoeven. Ze hadden zoiets zelfstandigs, zoiets onafhankelijks… Dat wilde ik óók. Ik kon me toch niet mijn hele leven laten rond chaufferen?
Ik zal u de lijdensweg die volgde besparen. ‘Het lijkt wel alsof je báng bent van die auto,’ verzuchtte mijn eerste examinator. Vier examinatoren en een royale hoeveelheid kalmerende middelen later slaagde ik, tot ieders en vooral mijn eigen verbazing. Slechts enkele ritjes met mijn mans Volvo in het Amsterdamse stadsverkeer maakten me duidelijk dat het een vergissing moest zijn geweest: huiverend trok ik me weer terug op de bijrijderstoel. Maar knagen bleef het, al was het maar door de omstandigheid dat ik voor mijn werk steeds vaker bij nacht en ontij in verre provincieplaatsen moest zijn.
Op een dag belde mijn man me enthousiast op. Hij was bij een dealer en had nu toch wel zo’n leuke auto voor mij gezien. Onder het motto ‘als-ik-over-een-half-jaar-nog-niet-durf-te-rijden-verkoop-ik-hem-weer’ raapte ik mijn moed en spaarcentjes bij elkaar en bestelde het nieuwste model Panda, met alles erop en eraan, inclusief maar liefst zes airbags. Vrolijk blauw stond hij te blinken op de gracht, maar hij voelde nog lang niet als de mijne. Ik verzon de raarste smoezen om niet achter het stuur te hoeven en kwam ik er echt niet onderuit dan stond ik doodsangsten uit. Met engelengeduld probeerde mijn man me aan het rijden te krijgen en uiteindelijk lukte het dat ook wel, al was het maar omdat de Panda inderdaad een buitengewoon prettige auto was. Maar echt helemaal goed voelde het nooit: ik bleef het gevoel houden dat ik vroeg of laat ongelukken zou veroorzaken.
Zoals gaat met sombere verwachtingen werd ook deze uiteindelijk bewaarheid. Ik deed iets doms met de pedalen en ramde een lantaarnpaal. Zelf had ik geen schrammetje, maar mijn arme Panda moest in zorgwekkende toestand naar de garage worden vervoerd. En terwijl ik de sleepwagen zag wegrijden gebeurde het. Opeens voelde ik een diepe liefde opwellen voor dat stoere wagentje met zijn gehavende snuit. Het leek de Bouquetreeks wel. Wat was ik blij toen ik hem een paar weken later geheel hersteld kon ophalen, en wat was ik gelukkig toen we gewoon weer gezellig samen rondreden. Ik vergat van de weeromstuit helemaal om bang te zijn.
Sindsdien zijn we onafscheidelijk. Nooit heb ik geweten dat je zoveel kon houden van iets wat officieel – het wil er bij mij nog steeds niet helemaal in – niet leeft. Mijn hart maakt een sprongetje als ik hem na een lange avond werken trouw op me zie staan wachten, knipperend met zijn lichtjes omdat hij zijn sleutel herkent. ‘Wanneer koop je nou eens een échte auto,’ vragen ze wel eens op de uitgeverij. Maar ik weet wel beter. Met dezelfde overtuiging waarmee ik als zestienjarige wist dat mijn toenmalige liefde voor altijd zou zijn, weet ik zeker dat ik nooit van mijn leven in een andere auto zal kunnen rijden. Panda forever.
Naar boven
Interviews
Interview met Annejet van der Zijl uit Meer dan de feiten waarin Han Ceelen en Jeroen van Bergeijk non-fictie schrijvers bevragen over hun werkwijze (uitgeverij Atlas, € 19,90).
Waar schrijf je graag over?
‘Eigenlijk over alles waar ik nieuwsgierig naar ben of van wordt. In Annie M.G. Schmidt bijvoorbeeld raakte ik geïnteresseerd door haar publieke persoonlijkheid. Niet door haar werk, dat kende ik eigenlijk nauwelijks – dit vanwege goedbedoelende intellectuele ouders bij wie Jip en Janneke in de zeventiger jaren als ouderwets en rolbevestigend te boek stonden. Maar later was ze als schaduwkoningin van Nederland natuurlijk alom tegenwoordig in de media. En als ik haar zo op televisie zag, bijvoorbeeld in dat beroemde interview met Ischa Meijer, dacht ik altijd: maar achter dat schild van geestige anekdotes en vrolijke zelfverzekerdheid moet toch ook nog een écht mens schuilgaan? Iemand zoals jij en ik, met twijfels en onzekerheden en een geschiedenis? Naar die vrouw ben ik toen op zoek gegaan voor mijn biografie.
Als er iets is dat in al mijn boeken terugkomt dan is dat de neiging om te willen kijken achter een algemeen geldende waarheid. Jagtlust, mijn eerste boek, ging over een landhuis dat een literaire mythe werd; Annie Schmidt was een levende legende, en ook de jodenhelpers uit de Tweede Wereldoorlog, zoals die in mijn laatste boek voorkomen, hebben in de loop der tijd buitenmenselijke proporties gekregen. En wat mij vervolgens vooral fascineert zijn de drijfveren van mensen: What makes Sammy run? zoals ze me tijdens mijn Engelse studie als journalistiek basisprincipe leerde. Welke kaarten krijgen mensen gedurende hun leven in handen gespeeld, onder welke omstandigheden gebeurt dat en wat doen ze daar dan vervolgens mee? Impliciet zoek ik de vragen die ik zelf over het leven heb uit via mijn verhalen.’
Al je boeken spelen in het verleden.
‘Ja, het zijn allemaal reconstructies. Dat heeft ongetwijfeld te maken met mijn tijd als journaliste, waarin ik me vaker dan me lief was bezig moest houden met de waan van de dag. Ik vond dat niet erg bevredigend: de waarheid raakt op korte termijn maar al te vaak zoek in die fixatie op nieuws. Terwijl als je er met terugwerkende kracht en afstand naar kijkt vaak wél duidelijk wordt hoe dingen echt in elkaar zaten, en wat ze betekenden. Dat geldt voor je eigen leven net zo goed als voor de grote maatschappelijke gebeurtenissen. Neem nou de moord op Theo van Gogh. Toen dat net was gebeurd was het, in ieder geval voor mij, onmogelijk om te weten of dat startsignaal was van een burgeroorlog of een afschuwelijk incident in een aanpassingsproces. Truth is the daughter of time, als het Engelse spreekwoord luidt, de waarheid is de dochter van de tijd. Ik zou dat graag als motto op mijn werk plakken.
Wat ik ook zo prettig vind aan reconstructies is het gevoel orde te kunnen aanbrengen. Het leven op zich is natuurlijk al een tamelijk chaotische aangelegenheid, en ik ben volwassen geworden in een tijd die ik als extreem onveilig heb ervaren, met massale werkloosheid en de voortdurende dreiging van kernwapens en milieuvervuiling. Ook op persoonlijk vlak had je weinig houvast – in de nasleep van de jaren zestig moest vooral alles kunnen en was niets meer heilig. Ik begreep er vooral niet zoveel van. Misschien vind ik het daarom wel zo fijn om uit die enorme hoeveelheid rommel waaruit iemands leven op het eerste gezicht bestaat, met alle ogenschijnlijke onbegrijpelijkheden, tegenstellingen en raadsels die daar bij horen, een samenhangend verhaal te maken met een begin en een einde, en een verhaallijn die dingen inzichtelijk maakt.’
Hou je van het historisch onderzoek dat daar bij hoort?
‘Ja, ik hou van research.’
Beschrijf eens wat daar leuk aan is.
‘Je bent toch een soort detective. Het is eindeloos zoeken en speuren en tasten, zonder echt te weten of je gaat vinden wat je zoekt. Regelmatig wanhoop ik. Dan zit ik weer eens vier dagen in een archief en denk: ik verdoe mijn jonge leven tussen het oud papier. Maar uiteindelijk vind je toch altijd iets, soms maar een heel klein puzzelstukje, maar dan wel net eentje dat cruciaal is in de puzzel die je wilt leggen, die verbanden duidelijk maakt die je eerder niet zag. En dat is dan heel leuk, ja.’
Hoe krijg je mensen zover om jou hun verhaal te vertellen?
‘Dat gaat zo’n beetje vanzelf. Mijn ervaring is dat als je zelf heel goed weet waarom een bepaald verhaal verteld moet worden, het niet zo’n probleem is om mensen te vinden die je daarbij kunnen en willen helpen. Toen ik begon aan Jagtlust hoorde ik van alle kanten dat dat niet zou lukken omdat geen van de betrokkenen mee zou willen werken aan een verhaal over het gelijknamige landhuis dat in de jaren vijftig en zestig zo veel stof had doen opwaaien. Maar door stukken over die tijd die ik voor HP/De Tijd had gemaakt kende ik een aantal mensen die daar destijds een sleutelrol speelden, zoals Remco Campert en Theo Sontrop. Toen zij eenmaal meededen, kwam de rest ook.
Het is natuurlijk wel van belang dat je mensen enthousiast weet te maken voor je plan. Eigenlijk moeten ze denken: dat boek wil ik lezen! En als dat niet lukt – wel, dan moet dat boek misschien niet geschreven worden. Uiteindelijk draait alles om vertrouwen, van beide kanten. Al die mensen die me helpen zijn in feite medescheppers van mijn verhaal: zij leveren de stukjes, ik leg ze aaneen. Ze vertrouwen mij hun geschiedenis toe in de hoop dat ik er iets moois van maak, ik heb de plicht die weer bij ze terug te bezorgen, het liefst op zo’n manier dat het ook voor hen completer en inzichtelijk is geworden, dat ook voor hen vragen worden beantwoord. Ik wil dat ze, ook achteraf, tevreden zijn met het lange of korte avontuur dat we gezamenlijk zijn aangegaan.
Vanzelfsprekend stuit je, vooral als je heel nauw met één familie te maken hebt, ook op allerlei onderlinge ruzies en ander gedoe. Maar mijn ervaring is dat het toch altijd wel mogelijk is om het zo op te schrijven dat iedereen zich recht gedaan voelt, en zijn of haar eigen waarheid er in herkent. Zo had Annies man nog een zoon uit zijn eerste huwelijk die begrijpelijkerwijs fel tegen haar gekant was: in zijn ogen was zij de vrouw die het huwelijk van zijn ouders had verwoest. Hij had een totaal andere kijk op de gebeurtenissen dan zijn halfbroer Flip, de zoon van Annie. Toch konden ze zich beiden heel goed vinden in het uiteindelijke manuscript. Stiekem hoop ik dan dat ze ook wat meer begrip voor elkaars standpunten hebben gekregen – het liefst laat ik het slagveld wat rustiger achter dan ik het aangetroffen heb.’
Hoe zou je jezelf als journalist omschrijven?
‘Een slechte. Ik vind mezelf eigenlijk ook geen journalist. Ik ben geen Wouke van Scherrenburg. Ik kan geen scherpe vragen stellen, ik ga niet graag de confrontatie aan en aan scoops heb ik een broertje dood. Sterker nog: ik herken ze niet eens. Ooit had ik eens een interview met Freddy Heineken waarin hij openlijk sprak over ‘de nieuwe vriendin’ van Willem-Alexander. Ik heb dat braaf opgeschreven en het is zonder enig opzien te baren gepubliceerd. Pas weken later viste een oplettende Telegraaf-journalist die nieuwe vriendin uit dat stuk en bracht het als groot nieuws op de voorpagina.
De enige reden dat ik me nog relatief lang heb weten te redden in dat vak is het feit dat ik van mijn respectievelijke hoofdredacteuren de ruimte en de tijd kreeg om me bezig te houden met het soort verhalen waar mijn hartstocht lag: reconstructies en portretten. En met name op de lange termijn merkte ik toch ook de voordelen van een wat zachtzinniger werkwijze. Zo ontmoette ik in de periode dat de Annie Schmidt-biografie in de steigers gezet werd Querido-directeur Ary Langbroek, die bij dat proces een doorslaggevende rol speelde. Jaren eerder had ik hem eens gesproken voor een stuk over de uitgeverij, dus ik vroeg of hij mij zich nog herinnerde. ‘Jazeker,’ zei hij. ‘Dat weet ik nog goed, en ik weet ook hoe je te werk ging. Anders had je hier nu niet gezeten.’ Mensen moeten je vertrouwen. Je kunt wel denken: ik heb lak aan iedereen en ik schrijf datgene op waar ik nu geweldig mee scoor, maar dat keert zich op den duur tegen je. En misschien nog belangrijker: als je van jezelf weet dat je dat soort geintjes flikt, kun je ook niet meer in je eigen oprechtheid geloven.’
Maak je aantekeningen of gebruik je een opnameapparaat?
‘Aantekeningen. Ik neem nooit iets op. Dat is zo gegroeid. Toen ik begon als journaliste had ik geen geld voor zo’n apparaat en ik ben dat meeschrijven prettig gaan vinden. Het is voor de persoon die je interviewt ook rustiger en vertrouwder. En ze lezen het toch allemaal voor het verschijnt, dus als ik iets gemist zou hebben komt dat dan wel boven water.’
Je laat mensen dus hun interviews lezen voor publicatie?
‘Ja, en ik zou niet anders willen. Zelfs mensen die om wat voor reden dan ook niet wilden meewerken, maar waarvan ik wel vind dat ze er een belang bij hebben, krijgen het van te voren toegestuurd met de dringende vraag of ze het alsjeblieft willen lezen en me hun commentaar willen laten weten. De tekst wordt er eigenlijk altijd alleen maar beter van..’
Wanneer weet je: nu heb ik genoeg materiaal en kan ik gaan schrijven?
‘Op een gegeven moment merk ik tijdens een interview dat ik meer te vertellen heb dan te vragen. Kennelijk heb ik dat boek in mijn hoofd dan op een bepaalde manier ‘rond’ heb: dat boek wil er uit. Dan moet ik gaan schrijven. De resterende research doe ik dan onderweg.’
Maak je voor het schrijven een opzet?
‘Ja, daar begin ik al mee tijdens de researchfase. Ieder stukje informatie waarvan ik ook maar enigszins denk dat het van belang is of kan zijn, zet ik in een chronologische factsheet. Dat is een manier van werken die ik in Engeland heb geleerd. Zo’n bestand bevat zowel de lotgevallen van mijn hoofdpersonen en van de mensen erom heen, als de gebeurtenissen uit de zogenaamde grote wereld die gelijktijdig plaatsvonden. En het wonderlijke is altijd: terwijl ik daarmee bezig ben, worden er allerlei verbanden duidelijk en doemt het boek vanzelf op. Alsof je met een potlood over een stukje papier gaat waar een muntstuk onder ligt. Op een gegeven moment denk ik: dit stuk moet natuurlijk hier, want daarbegint een nieuw hoofdstuk, enzovoort. Het is een heel fascinerend proces. Ik bedenk het niet, het doet zich voor... ik herken het. Het is net alsof dat boek er al lang is, en ik het alleen nog maar hoef uit te graven.’
Denk je nooit: help, ik verzuip in al die gegevens?
‘Natuurlijk denk ik dat wel eens. Die factsheets kunnen makkelijk oplopen tot boven de duizend pagina’s. Maar op zo’n moment moet je gewoon stug blijven doorwerken en vooral zorgen dat je het overzicht niet verliest. Dat is trouwens ook iets wat in je karakter zit –als kind al kon je me dagen zoethouden met ingewikkelde legpuzzels die ik dan met eindeloos geduld ging leggen. Ik verlies me er echt in, kan er niet meer mee ophouden. Een boek is net zo’n puzzel, alleen zonder voorbeeld.
Het maakproces heeft twee kanten: aan de kant verzamel je als een soort eekhoorn de kleinste details, feitjes en weetjes, aan de andere kant moet je er op een gegeven moment als een roofvogel boven gaan hangen om de grote lijnen te zien. En dat laatste maakt het zo spannend: ik kan, terwijl ik aan een boek werk, zelf zo benieuwd zijn hoe het nu verder gaat, hoe de afbeelding er uit komt te zien.’
Waar schrijf je?
‘Thuis. Jagtlust en Anna schreef ik aan de keukentafel, en voor Sonny Boy kon ik dankzij het succes van de voorganger een heuse werkhoek laten maken. Ik heb geen aparte werkkamer, en wil die ook niet. Ik ga nu verhuizen maar blijf gewoon gezellig in de woonkamer werken.
Schrijf je snel?
‘Nee, het kost een hoop tijd en moeite om te zorgen dat het leest alsof het in één keer en moeiteloos op papier is verschenen..Ik kan geweldig tutten met woordjes en zinnetjes of met een hoofdstuk dat nét niet lekker loopt. Dan blijf ik aan herschrijven en herschrijven, net zolang tot het goed is. Uiteindelijk moet de uitgever het manuscript zo ongeveer uit mijn handen trekken, anders blijf ik bezig.’
Streef je naar een bepaald aantal woorden per dag?
‘Nee, ik werk gewoon door tot mijn hersens niet meer willen. En dat is meestal tegen een uur of vijf uur ’s middags. Ik heb er over het algemeen niet zo’n moeite om mezelf ’s ochtends aan het werk te zetten. Het enige wat ik soms wel mis zijn collega’s, het gevoel mee te draaien in een groter geheel. En ja, als ik echt tegen een deadline aan zit te werken, dan moet ik het soms echt wel uit mijn tenen halen. Ik herinner me nog de warme zomer van 2002: ik zat met de gordijnen dicht te ploeteren aan de laatste hoofdstukken van Anna, en op een middag zag ik hoe Michael Boogerd de Koninginnerit in de Tour won – die eindeloze berg op, en maar doorzetten en niet opgeven en maar doorgaan. Daar herkende ik mezelf op dat moment zeer in.’
Wanneer schrijf je?
‘Ik hou in principe kantooruren aan. Soms werk ik ’s avonds door, maar dan wil het de volgende ochtend weer niet. Een beetje lezen lukt ’s avonds nog wel .’
Moet een schrijfdag voor jou leeg zijn?
‘Ja, heel graag. Als ik ’s avonds een lezing heb, ben ik toch altijd een beetje nerveus en kom ik niet echt goed in mijn concentratie. Fotosessies en interviews zijn wat dat betreft helemaal verschrikkelijk. Ik ben altijd blij als ik een lege week voor me zie.’
Wat doe je het liefst: research, op pad gaan of schrijven?
‘Ik vind het allemaal leuk, en het een kan ook niet zonder het ander. Researchen is leuk omdat het ‘werk-werk’ is. Je hebt er geen inspiratie voor nodig en ik voel me in dat stadium altijd nog heel vrij. Schrijven is zwaarder, maar ook bevredigender – als het lukt natuurlijk. Maar ik weet meestal wel of iets deugt of niet: in mijn werk ben ik wat dat betreft veel trefzekerder dan in het gewone leven.’
Hoe noem je het genre dat je bedrijft?
‘Literaire non-fictie vind ik een mooie omschrijving.’
Waar bestaat dat literaire uit?
‘Uit het feit dat ik de gereedschapskist van de fictieschrijver plunder, zoals Kees Fens het eens mooi omschreven heeft.’
Geef daar eens een voorbeeld van.
‘Het belangrijkste van alles is natuurlijk dat je je lezer geboeid houdt, dat ze doorlezen, dat ze jouw verhaal willen blijven volgen en daarbij bij voorkeur alles om zich heen vergeten. Schrijven is verleiden, niets meer en niets minder. En daar heb je natuurlijk allerlei instrumenten en technieken voor, en die moet je zo goed mogelijk combineren met de elementen die het verhaal zelf je geeft. Bij non-fictie heb je gedeeltes van het verhaal die zo spannend en mooi zijn dat ze zichzelf schrijven. Maar je hebt ook periodes die minder spannend of zelfs ronduit saai zijn, en gegevens die er in moeten zonder dat ze iets bij dragen aan de verhaallijn. Zo ontkwam ik er bij Anna niet aan om allerlei werk die Schmidt dat een bepaalde periode maakte op te moeten noemen. Het is dan een kwestie van techniek en een lenige pen om dat soort informatie zo in te verwerken dat het de lijn van je verhaal niet stoort en het liefst juist nog sterker maakt.
Bij Sonny Boy had ik een heel ander probleem: namelijk dat het hier ging om volstrekt onbekende mensen die al meer dan zestig jaar geleden spoorloos van de aardbodem verdwenen waren. En toch wilde ik graag dat ook dat verhaal gelezen zou worden. Dus daar moest ik nog veel meer mijn best doen het mooi op te schrijven en nog meer literaire procédés uit de kast halen. Al heel snel viel me op dat water een voortdurende rol in dat verhaal speelde: de mannelijke hoofdpersoon was een fervent zwemmer, hij woonde in Paramaribo aan de Waterkant, in Scheveningen aan de Zeekant, hij kwam van een plantage die aan de zee lag en uiteindelijk bleek het water ook nog een grote rol te spelen bij zijn dood. Dat water is dus een voortdurend terugkerend thema geworden in het boek. Ik verzin dat niet van te voren: het was een cadeautje waar het verhaal zelf mee kwam, en waar ik dankbaar gebruik van gemaakt heb.’
Staat de literaire vorm wel eens op gespannen voet met de werkelijkheid?
‘Ik vind dat je als non-fictieschrijver alleen iets mag opschrijven als je – zoals dat in de rechtszaal heet – met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid meent te weten dat het zo gebeurd is. De dood van mijn hoofdpersoon in Sonny Boy is een goed voorbeeld. Het is heel lang onduidelijk gebleven hoe hij aan zijn einde gekomen is en een echt waterdicht bewijs als een graf is er niet. Maar op grond van een heel samenstel aan omstandigheden en feiten – een verhaal over iemand die later al lang dood bleek te zijn, zijn gelijkenis met die persoon, het aantal zwarte mannen in concentratiekamp Neuengamme, het feit dat hij een goede zwemmer was, zijn geschiedenis in het kamp zelf – heb ik er zelf geen twijfel over of het is gegaan zoals ik het beschrijf.’
Als je het niet helemaal zeker weet, waarom maak je er dan geen fictie van?
‘Ik heb aanvankelijk bij Sonny Boy wel gespeeld met de gedachte om er een historische roman van te maken, juist omdat er zo weinig van de hoofdpersonages bekend was. Maar toen doken de brieven op die mijn hoofdpersonen vanuit de concentratiekampen aan hun zoontje schreven. Die waren zo ontroerend, zo echt, dat ik dacht: daar moet ik niet tegenaan gaan zitten verzinnen, ik moet me gewoon redden met het materiaal wat ik heb of nog kan vinden. Dat dat betekende dat ik bepaalde thema’s niet verder kon uitdiepen heb ik op de koop toe genomen.
Overigens sluit ik niet uit dat ik me ooit nog wel aan die historische roman waag, integendeel. Maar ook dan zal ik willen verantwoorden wat historisch materiaal is en wat niet – ik vind het altijd jammer als dat bij een mengvorm niet gebeurt.’
Je kruipt ook in de hoofden van personages, zoals in het laatste alinea’s van Sonny Boy. Daarin beschrijf je hoe Waldemar zich voelt in de laatste ogenblikken voor hij verdrinkt, en suggereer je dat hij aan Suriname denkt
‘Die vredige dood is niet helemaal uit de lucht gegrepen. Uit verhalen over de watersnoodramp in Zeeland wist ik dat verdrinking zeker in combinatie met onderkoeling een relatief rustige dood is. Veel slachtoffers werden daar met een glimlach op hun gezicht gevonden. Bovendien: ik schrijf nergens wat Waldemar denkt – ik beschrijf alleen maar wat er in Paramaribo gebeurt op het moment dat hij sterft. Eigenlijk is alleen echt die allerlaatste zin een vorm van fictie: hij zwom naar huis. En toch voelt het voor mij helemaal waar, ook omdat het zo perfect past bij het voorafgaande verhaal en de hoofdpersoon. Daarbij biedt het een zekere troost. Aan de zijn zoon, aan de lezers, aan mezelf ook. Want onderschat niet hoezeer je je gaat hechten aan mensen waar je zo’n tijd mee leeft. Het einde van mijn vrouwelijke hoofdpersoon heb ik met samengeknepen keel opgeschreven, en de muziek die ik toen draaide kan ik nog steeds niet met droge ogen horen.’
Hoe weet je welke vorm bij een boek past?
‘Eigenlijk gaat dat zo’n beetje vanzelf. Zoals ik al zei, doemt het boek tijdens de researchfase al grotendeels op uit het materiaal. Bij Anna had ik de vorm van het boek zelfs al eerder dan het onderwerp: ik droomde van het schrijven van klassieke Angelsaksische biografie schrijven. Op dit moment ben ik bezig met een biografie van Prins Bernhard, die ik ruwweg dezelfde vorm wil geven. Daarna hoop ik weer een beetje te gaan experimenteren– ik heb al iets in mijn hoofd, een vorm die ik mooi vind, en wellicht wordt dan toch die historische roman. Daarnaast wil ik graag wat verder terug in de geschiedenis –tot nu toe speelden mijn boeken in de twintigste eeuw, en ik zou me nu wel eens willen verdiepen in de negentiende.
Per boek heb je natuurlijk ook kleinere vormkwesties. Zo gebruik ik in Anna wel directe quotes, en in Sonny Boy niet. Achteraf past dat inderdaad beter, omdat het eerste boek ook vanwege het onderwerp journalistieker van karakter is, maar op het moment zelf neem ik dat soort beslissingen eigenlijk helemaal op mijn gevoel. Ik vond het gewoon mooier en beter bij een verhaal als Sonny Boy passen. In die zin dicteert ieder verhaal zijn eigen vorm – ik hoef alleen maar goed te kijken welke.’
Wat is je eigen rol in je boeken?
‘Tot nu toe kom ik niet als zodanig in mijn boeken voor. Achteraf heb ik me wel gerealiseerd dat ik voor Sonny Boy ook de vorm had kunnen kiezen zoals Frank Westerman voor zijn El Negro en ik heeft genomen. Hij beschrijft heel nauwkeurig zijn naspeuringen naar zijn onderwerp en zijn eigen persoonlijke ontwikkeling tijdens die reis. Op zich was mijn zoektocht naar mijn hoofdpersonen kleurrijk en spannend genoeg – ik vertel er graag over tijdens lezingen – maar toch ben ik ook achteraf blij dat die reis en mezelf buiten het boek gelaten heb. Ten eerste omdat ik mezelf niet zo bijster interessant vind om over te schrijven, en ten tweede omdat ik niet tussen mijn lezer en het verhaal in wil gaan staan. Daar was dit verhaal zelf me te bijzonder en ook te lief voor.
Dit alles betekent natuurlijk niet dat je ooit echt afwezig bent in je boeken. Tenslotte ben ik de verteller, ik maak uit wat ik zoek, wat ik selecteer en waar ik de nadruk op leg. En zoals ik aan het begin van dit interview al zei, ik zoek mijn eigen vragen over het leven uit via die verhalen over anderen. Maar daar heeft de lezer hopelijk geen last van. Of misschien is hij of zij wel geïnteresseerd in dezelfde vragen.’
Heb je behoefte aan meelezers?
‘Ik zou niet zonder kunnen. Ik heb per project verschillende meelezers – zo gaat Geert Mak nu meelezen met Bernhard – maar ik heb ook vaste meelezers.: mijn man, die zelf journalist is, en een goede vriendin, dezelfde overigens die me ook het verhaal over Sonny Boy aan de hand deed. Zij vormen de pijlers onder mijn schrijversbestaan. Als ik echt aan het schrijven ben krijgen zij eens in de twee weken één of meer hoofdstukken toegestuurd, en aan hun reacties merk ik of het wat wordt. Mijn man was aanvankelijk helemaal niet zo gecharmeerd van Annie M.G. Schmidt als onderwerp, ze leek hem nogal saai geloof ik. Toen hij op een gegeven moment langs zijn neus weg begon te vragen “Zeg, heb je alweer wat te lezen?” wist ik dat het de goede kant op ging.
Overigens zijn de ogenblikken dat je zo’n tekst uit handen geeft, altijd momenten van grote twijfel. Het gebeurt geregeld dat ik mijn meelezers iets toestuur en er een half uur later een mailtje achteraan doe met “Weggooien, weggooien – zo meteen nieuwe versie!”’
Legt een bestseller extra druk op je volgende boek?
‘Nee hoor – integendeel. Het schept juist de ruimte om te kunnen mislukken, en die ruimte heb ik nodig om iedere keer weer zo’n onderneming aan te durven. Het is wel zo dat succes je dagelijks bestaan een beetje ontregelt, en in dat verband denk ik soms met weemoed terug aan de tijd toen ik nog aan Anna werkte. Ik leidde een heel overzichtelijk en ongestoord leven, niemand wilde iets van me, niemand wist dat ik bestond, ik kon lekker rustig doorwerken. Een van de redenen om aan Sonny Boy te beginnen was dat ik echt schrok van al die aandacht en flitslichten opeens. Ik wilde weer wegduiken in een nieuw verhaal, in een andere wereld.
Inmiddels ben ik gewend geraakt aan de publieke kanten van het schrijverschap, en kan ik echt genieten van het feit dat zoveel mensen plezier beleven aan wat ik doe. Het is ook vleiend en goed voor m’n zelfvertrouwen. Toch blijft publieke waardering iets van een moorkop hebben: het is even lekker, maar het voedt niet. Dat doet je privéleven, en de bevrediging die je haalt uit het werk zelf.’
Ben je in je boeken op zoek naar de waarheid?
‘Ja, ik heb de hoop dat als je maar genoeg bronnen raadpleegt, er op een bepaald moment een waarheid komt bovendrijven die klopt. Ik word daarin ook wel bevestigd door mensen die de door mij beschreven geschiedenis aan den lijve hebben meegemaakt. Zo was er een mevrouw die in dezelfde concentratiekampen had gezeten als mijn vrouwelijke hoofdpersoon in Sonny Boy. Ze zei: ja inderdaad, dít is het verhaal, zo ging het, zo naïef, zo totaal onbewust van wat ons te wachten stond kwamen we daar in terecht.
Maar ik ben me er altijd van bewust dat het resultaat uiteindelijk mijn visie op de dingen bevat. Een ander zou op grond van dezelfde informatie wellicht tot andere conclusies komen, of in ieder geval andere accenten leggen. Zo heb ik eens een toneelstuk gezien over Annie Schmidt waarvoor de schrijver duidelijk flink wat materiaal uit mijn boek gehaald had. Maar de teneur van dat stuk pakte totaal anders en vooral een stuk negatiever uit. Dus in die zin besef ik dat ook mijn waarheid betrekkelijk is. Toch blijf ik er naar zoeken, dus kennelijk geloof ik er toch in.’
Wie zijn je voorbeelden en welke collega’s vind je goed?
‘Ik ben een groot bewonderaarster van de Amerikaanse journalist Joseph Mitchell en historici als Barbara Tuchman en J.P. Bouman. Wat betreft inspiratiebronnen dichter bij huis denk ik vooral aan de verhalen zoals Jan Brokken en Lieve Joris die in de toenmalige Haagse Post schreven toen ik nog op de middelbare school zat. Maar ik word geïnspireerd door veel meer dan alleen directe voorbeelden – ook door films, muziek, romans, en gewoon, de verhalen die ik om me heen hoor. Tolkien heeft eens gezegd dat alles wat je leest of tot je neemt in je geest tot een soort humus wordt, een vruchtbare laag waar weer iets nieuws uit kan groeien. Zo voel ik dat ook .Het gaat bij mij allemaal heel intuïtief. Om het simpel uit te drukken: ik volg mijn neus, doe wat ik leuk vind, wat me boeit en waarvan ik denk dat het zin heeft. En het houdt me wat de straat, ook een goede zaak.’
Hoe verklaar jij het huidige succes van de literaire nonfictie in Nederland?
‘Mijn collega Jan Brokken zei het laatst heel mooi: in onzekere tijden grijpen mensen terug op geschiedenis. De verhalende geschiedschrijving zoals Bouman die bedreef leek de laatste decennia onder historici een beetje in onbruik geraakt, en wellicht als reactie daarop is er nu onder aanvoering van Geert Mak een generatie journalisten opgestaan die die leemte in is gaan vullen.
Ik zelf heb het altijd jammer gevonden dat ik geen geschiedenis ben gaan studeren, maar tot mijn vreugde heb ik nu met Bernhard alsnog de kans gekregen om aan de historische faculteit te promoveren. En ik zal trots zijn als ik me straks historica mag noemen, want ik vind het in deze verwarrende tijden een uiterst zinnig en eerzaam beroep. Geschiedenis is een beschavende factor. Hoe meer levenservaring en zelfkennis een mens heeft, hoe verstandiger die kan omgaan met problemen waar hij of zij mee wordt geconfronteerd. Hetzelfde geldt voor een samenleving: hoe meer kennis die heeft van haar geschiedenis, des te beter is ze opgewassen tegen de veranderingen en uitdagingen waarvoor ze komt te staan.
Naar boven