Cornelis Schepel was een van de vele lezers die de moeite namen een uitgebreide correctielijst mee te sturen, want: 'Bernhard is een fascinerend en meeslepend geschreven boek, dat ik bijna ademloos heb uitgelezen. Bijna ademloos, omdat ik me steeds meer ben gaan ergeren aan de talrijke, vooral redactionele, smetten en smetjes die de tekst en de kaarten aankleven. Heel jammer - dit boek had een beter lot verdiend.' Ook W.L.A. Driessen uit Leidschendam stoorde zich aan druk- en taalfouten: 'Het boek moest kennelijk in de boekenweek in de winkel liggen. Ik neem aan dat die schoonheidsfoutjes er in de volgende drukken zijn uitgehaald.' [Hier wordt inderdaad aan gewerkt - red.] Verder toont hij zich vol bewondering voor 'dit zeer boeiende en uiterst leesbare verhaal. Annejet weet hoe zij moet vertellen en de aandacht van de lezer moet vasthouden'.
Voor Gerard Alink waren correcties geen reden om dit boek de Libris Geschiedenis Prijs niet te gunnen:
'Op naar de shortlist zou ik zeggen en wat mij betreft heeft u die prijs te pakken. Daar doen die paar schoonheidsfoutjes die ik als een schoolmeester onder elkaar meende te moeten zetten, niets aan af. Petje af voor de geweldige hoeveelheid werk en een fantastisch boek.'
Tom Meyer uit Kaapstad stuurde eveneens een correcitelijstje, met daarbij de opmerking het boek desondanks met 'heel veel genoegen' te hebben gelezen:
'Mooi uitgegeven, heel vlot en goed geschreven, inhoudelijk ijzersterk.... Ik heb van 'Sonny Boy' genoten, heb 'Anna' klaar liggen om te gaan lezen, en zie reikhalzend uit naar het volgende boek!'
Ook voormalig geschiedenisleraar Joost de Vries uit Beetsterzwaag las het boek met veel plezier - ' U bent er m.i. uitstekend in geslaagd om het aspect: '... hoe verhield zich dat tot zijn tijd' op deskundige maar ook zeer aansprekende wijze inhoud te geven. Niets dan lof' - maar wijst op de foute meervoudsvorm 'Freikörper' waar Freikorps werd bedoeld. Zelf had hij, zo schrijft hij, dezelfde fout ooit in de klas gemaakt 'waar een Duitse uitwisselingsleerlinge prompt hartelijk (maar toch beleefd) begon te lachen omdat zij Freikörper meteen associeerde met 'naaktlopers' (FKK: Frei Körper Kultur).'
Jan Hoogland volstaat met complimenten - ' In twee dagen gelezen. Een geweldig en goed lezend boek', evenals Rien Vergeer die het ' in een keer' uitlas: 'Heel knap geschreven, het boek geeft niet alleen de biografie van Bernhard weer, maar ook een voor iedereen zeer leesbare beschrijving over het ontstaan van de 1e en 2e wereldoorlog. 'n Geweldig boek!' Para Grosch schrijft: 'Bernhard is het soort boek waarin je nauwelijks met lezen kunt ophouden en het toch betreurt als het uit is, m.a.w. ik heb genoten. Hij is een figuur van vlees en bloed geworden.'
In dat laatste wordt hij bijgevallen door Petra Megens, die vanuit Leeuwarden liet weten:
'Dit boek is zo levend, zo echt. Het is grappig, het is wijs, het levert een schat aan nieuwe gezichtspunten en het is bovendien spannend. Spannend! Terwijl het gaat over een publieke figuur wiens levensloop we in grote lijnen al kennen. We weten ook al hoe het afloopt. En toch is uw boek een ware 'page turner'. Een grote verdienste.... Moest ik het samenvatten, dan zou ik zeggen: de wereld is mooier met deze Bernhard erin. '
Een andere lezeres, Marianne Hoeboer schrijft uit Den Haag:
' Zojuist Bernhard uitgelezen. Uitbeluisterd, moet ik eigenlijk zeggen, want ik ben slechtziende en heb via Loket Aangepast Lezen dit boek in een week gelezen. Zelfs ’s nachts hield het mij wakker. ...Vanaf mijn kinderjaren, ik ben van ’43, ben ik opgegroeid met de verhalen rondom Bernhard. Mijn Duitse moeder, geboren in 1914, woonde sinds begin jaren ’30 in Nederland en is met mijn Haagse vader in 1939 getrouwd. Haar adoratie voor Bernhard heb ik als typisch Duits herkend in het boek. Haar opzien naar adel en mensen van stand, haar hang naar decorum zie ik ook in het boek terug. ... Annejet van der Zijl is er voor mij heel goed in geslaagd om duidelijk te maken waarom de mens Bernhard, de mens is geworden die hij was. Een uitermate helder , met veel inzicht getuigend boek. Een dan ook nog eens prachtig geschreven. Mijn interesse voor geschiedenis is op een literaire manier bevredigd.'
Voor Wim Westerum was het boek reden om zijn visie op de monarchie definitief te bepalen: 'Bernhard: een vakantieboek bij uitstek! Buitengewoon leerzaam met als bijkomend effect dat ik nu definitief republikein ben.' Een andere conclusie werd getrokken door Piet Vergunst die oordeelde: ' ...meeslepend geschreven, leerzaam ten aanzien van ons recente verleden, integer ten aanzien van de hoofdpersoon, menselijk in het nawoord. Naast mijn waardering voor u is mijn waardering voor koningin Beatrix er opnieuw door toegenomen!' Dat laatste gevoel had ook Martin van der Hoek, al strekte die emotie zich in zijn geval uitdrukkelijk niet uit tot de hoofdpersoon: 'Prins Bernhard heb ik altijd verdedigd tegen alle kritiek op hem. Des te schokkender is het te lezen, dat alles alleen maar show was.' Desondanks heeft Van der Hoek het boek met 'zeer grote bewondering' heeft gelezen: 'Als oud marinier ben ik een illusie armer geworden, maar een ervaring rijker.'
Ook Bernhardbewonderaar Arnold E.E. Gelderman liet vanuit North Carolina weten 'met enige aarzeling' met lezen begonnen te zijn:
' ...omdat ik aanvoelde dat de mythe rond Prins Bernhard wel eens flink averij zou kunnen oplopen - het was een mythe waar ik zelf ook in geloofde sinds ik een 5-jarig jongetje in bezet Nederland was. En dat is inderdaad wat er gebeurde!Desalnietemin vond ik Uw boek buitengewoon goed geschreven en buitengewoon goed gedocumenteerd! Ik heb het min of meer (men moet ook nog eten en slapen!) in een ruk uitgelezen. Ik wil U bij deze complimenteren met deze interessante biografie; ik hoop dat het nog vele herdrukken zal beleven.'
Dan waren er weer vele lezers die met aanvullingen kwamen, zoals Ton de Jong, hoofdredacteur van het Brabants Nieuwsblad. Hij was degene die ooit de dagboeken van Jan de Quay openbaar maakte en constateert tevreden dat Annejet de resultaten hiervan uitgebreid in haar boek heeft gebruikt: 'Met veel genoegen, bewondering en jaloersheid heb ik jouw biografie van prins Bernhard gelezen.' Wel wist hij te melden dat de dagboeken na zijn openbaarmaking door een kennelijk geschrokken familie weer haastig 'op slot' zijn gedaan.
Aad Botterman, zoon van de particulier chauffeur van Bernhards vriend Gerhard Fritze, liet weten dat de laatste de dag voor de oorlog naar Amerika is gegaan. Zijn vrouw en dochter Luca bleven achter in de villa in Laren en hebben daar nog een onderduiker in huis gehad. 'Na de oorlog stuurde Fritze meteen een nieuwe Pontiac en twee fietsen , want alles was gevorderd door de moffen.'Harrie-Jan Metselaars uit Amsterdam wees op een passage uit een brief die de vroegere Duitse rijkskanselier Heinrich Brüning op 16 juli 1941 schreef vanuit Harvard en waarin deze verwijst naar Bernhards activiteiten binnen de nazipartij:
'I was amazed by the interview that Prince Bernhard gave tot the New York Times. I send it to you, but please return it. It is rather hot stuff for a man who belonged to the formation that supplied the firing squads on June 30 1934 and that cooperated with the Gestapo in persecuting me day and night for nearly a year, not to speak about the funny history of his family or the character of his mother.' (uit: Zwischen Hitler und Pius XII. Heinrich Br"uning und seine niederl"andischen Freunde Mgr. Henri Poels, Rector Piet Mommersteeg uns Dr. A.J.M. Cornelissen. Briefe und Dokumente (1936-1958). Eingeleitet und herausgegeben von Christoph Weber, Hamburg 2007 blz 187.)
Nadat Metselaars de memoires van Bruning er op nageslagen had, kwam hij, zo schreef hij in zijn tweede mail, uiteindelijk tot dezelfde conclusie die voor Annejet reden was om het fragment niet te gebruiken - namelijk dat niet duidelijk is waar en op wie de voormalige rijkskanselier precies doelt: 'Het lijkt mij het meest waarschijnlijk dat Bruning in de brief van 1941 bedoelde dat Bernhard te eniger tijd lid is geweest van de SS, en niet dat Bernhard al die dingen (samenwerken met de Gestapo en executies uitvoeren in de nacht van de lange messen) ook echt heeft gedaan.'
Voor Wolfgang Herrlitz, hoogleraar Duitse taal en cultuur aan de universiteit van Utrecht, waren vooral de hoofdstukken over Woynowo, het landgoed waar Bernhard opgroeide van belang - dit omdat zijn grootvader van moederskant, Max Ohme, hier vanaf 1913 “Güterverwalter” was geweest. Omdat het landbouwbedrijf op dat moment falliet was, werkte Ohme zonder een vast salaris, maar kreeg een bepaald deel van de winst. Dat betekende dat Bernhards vader min of meer onder curatele werd gesteld en genoegen moest nemen met een beperkt deel van het resultaat. Herrlitz: 'Max Ohme (die als uitstekende vakman in de landbouw bekend stond) slaagde erin om van Woynowo in relatief korte tijd een gezond winstgevend bedrijf te maken.' Zijn dochter Erika was praktisch van dezelfde leeftijd als Bernhard en moest geregeld met hem in de zandbak spelen: 'maar dat vond ze niet leuk omdat ze daarvoor een nette jurk moest aantrekken en Bernilo een vervelend ventje was.' Na een conflict met Bernhards vader nam Max Ohme in 1917 ontslag en kocht zelf een landgoed in Silezie.
De heer A. Bredenhoff uit Zwolle attendeerde ons op het in 1999 verschenen boek Dienen und Verdienen – Hitlers Geschenke an seine Eliten van Gerd R. Ueberschär en Winfried Vogel. Hierin wordt op pagina 47/48 melding gemaakt van het feit dat Bernhards moeder Armgard de Preusische minister-president Herman Göring in november 1937 voor de tweede keer vroeg - eerder had ze om 60.000 RM gevraagd - haar financieel te steunen. Daarbij verwees ze naar het feit dat ze als schoonmoeder van de Nederlandse kroonprinses zowel Juliana als Koningin Wilhelmina in stijl moest kunnen ontvangen. Het verzoek werd overigens afgewezen.
Tenslotte sturen oplettende lezers nog steeds vaak zeer nauwkeurige lijstjes van gesignaleerde feitelijke of stilistische onzorgvuldigheden op. Een deel daarvan is inmiddels verwerkt in de tweede en derde druk, de rest zal in de vierde druk worden verwerkt. Ook een stamboom over de familie Zur Lippe, waar door diverse lezers om gevraagd werd, is in de maak en zal aan de volgende druk worden toegevoegd. Overigens blijven commentaar en suggesties van harte welkom.
Peter Kuijpers schrijft dat Sonny Boy hem zeer ontroerd heeft: ‘Sonny Boy is een subliem document over de lotgevallen van de familie Nods, over de verhouding tussen Nederland en Suriname, over de houding van vele Nederlanders tegenover de bezetter en natuurlijk over de vreselijke concentratiekampen.’
Daarnaast zijn er nog steeds vele lezers die de moeite nemen Annejet te laten weten met hoeveel plezier ze het boek over Prins Bernhard hebben gelezen - ‘Een adembenemende biografie’ (in de woorden van René Norenburg); ‘een enorm goed, maar bovenal leesbaar boek’ (René Hermens) en ‘Briljant geschreven, goed gedocumenteerd. Klasse’ (Willem Stegeman).
Jan Remie schrijft uit Luxemburg: Fantastisch werk over een man die voor de gemiddelde Nederlander een voorbeeldfunctie had in de roerige jaren van voor en na de oorlog. Het is des te meer een verademing te mogen constateren dat deze man ook maar gewoon een mens was, maar wel een met een wat duister verleden.
Ook een tevreden lezer was Wim van der Zwaag: Meestal ben ik niet zo van de reacties op zaken die ik zie, hoor, lees of meemaak maar in dit geval moet ik echt een uitzondering maken op het geweldige boek over Bernhard. Mijn vrouw heeft het boek voor me meegenomen na een bijeenkomst in Bloemendaal omdat ze weet dat dit genre echt één van mijn favorieten is. .... Een groot compliment dus van mij en bedankt dat je me dagen en avonden lang liet genieten. Je het er een fan bij.
Harry Aalbers meldt Bernhard ‘met ontzettend veel plezier’ gelezen te hebben: ‘goed geschreven, zeer goed gedocumenteerd en daarom uitermate toegankelijk voor eenieder die in de vaderlandse geschiedenis is geïnteresseerd. Grote klasse.’ André Demenint: ‘met recht een verborgen geschiedenis. Met veel belangstelling, plezier en een tijd van ontspanning, heb ik uw boek gelezen. In één woord: klasse! Duidelijk en helder geschreven. Veel nuance, afstandelijkheid maar ook de vinger leggend op de zere plek. Eindelijk eens een schrijver die het sprookje ontrafelt.’
Dick van den Berg uit Warfhuizen pakte naar aanleiding van het onlangs verschenen luisterboek van werk van Fritzi ten Harmsen van Beek Jagtlust er nog eens bij en vraagt zich of de affiche van de verzekeringsmaatschappij RVS wel terecht aan haar vader wordt toegeschreven. Zijn leesplezier bedierf het echter niet: ‘Schrijven mag dan een mooie manier zijn om de wereld te verkennen, lezen is dat a fortiori ook temeer daar lezen sneller gaat dan schrijven. Boeken brengen een wereld in je hoofd en je huis.’ In Bernhard viel hem het op pagina 401 gebezigde nieuwe werkwoord "anejetten" op: ‘leuk, maar zou een extra "n" het niet op enige manier koppelen aan een aardige eigennaam die niet ten onrechte al een unieke merknaam lijkt te worden?’
Govert van Wesel uit Roelofarendsveen vond met name de beschrijving van de Weimar-tijd in Bernhard een welkome aanvulling op wat hij daar eerder over las, maar vermoed enige onnauwkeurigheid waar het gaat om de beschrijving van Market Garden. Zo wordt op pagina 330 de Waalbrug bij Nijmegen genoemd waar het de Rijnbrug bij Arnhem moest zijn. Ook Jacob Jan Vis plaatste enkele historische kanttekeningen, onder andere over de erkenning van het ‘communistisch’ bewind in 1919 waar het ‘revolutionair’ moest zijn. Verder oordeelt hij: ‘Wat een mooi boek, ik heb genoten. Smakelijk geschreven en heel integer. Een belangrijke bijdrage tot de Nederlandse geschiedenis.’
Maarten Lasthuizen schrijft: ‘Als voormalig Larinees heb ik genoten van Jagtlust’, maar vraagt zich af of de beschrijving van het vrije uitzicht van de bewoners wel klopt: ‘ Aan de overkant van het huis (wordt op dit moment wederom geschilderd en is daardoor aan het oog onttrokken door grote lappen doek) staan meerdere aanzienlijke villa's die gezien de omvang best wel eens ouder dan vijftig jaar kunnen zijn.’
Liliane Waanders uit Zwolle meldt Bernhard in amper drie dagen te hebben uitgelezen. ‘Dat is meteen mijn eerste compliment. Maar de grootste verdienste is dat je zonder de strijd aan te gaan met al die andere boeken en pamfletten, die er in het laatste jaar voor het verschijnen van jouw boek in de winkel lagen, echt iets hebt toegevoegd aan wat we dachten te weten. Ook Jan Schurink uit Empe meldt het boek ‘met veel interesse’ te hebben gelezen:’Het is een geweldige aanwinst, niet alleen de vele opzienbare, voor mij veelal onbekende, feiten maar daarnaast ook een groot aantal in de tekst opgenomen unieke afbeeldingen maken het boek tot een bijzonder naslagwerk.’
Marcel Kupper uit De Bilt maakt ons er - verwijzend naar Wikipedia - op attent dat Tsaar Nicolaas II niet op 14 maar op 15 mei gedwongen werd af te treden, dat Pruisen het voormalig koninkrijk Polen als in de achttiende eeuw en niet de negentiende annexeerde en dat Tanger nooit tot Spaans Marokko heeft behoord (het was Frans). Zijn buurman Rob Bouwmeester voegt er aan toe dat de Britse vloot tijdens WO I niet op de Oostzee maar bij Jutland slag leverde met de Kriegsmarine en dat het vooral Vliegende Forten (B 17's) waren die Berlijn tijdens WO II bombardeerden. Voor het overige schrijft hij: ‘Ik heb echt genoten van haar boek; echt jammer dat ik het te snel uit had en moest dichtslaan!!’ Ook Jan C. Otterspeer uit Amersfoort stuurt ‘alle complimenten aan de schrijfster !!!!!’, maar hij miste een schema van de genoemde personen in samenhang met de hoofdpersoon.
Rob Blekxtoon uit Zutphen, Simon van der Laan en Freek Hooykaas behoorden tot de briefschrijvers die meldden Bernhard ‘in één adem’ dan wel ‘in één ruk’ te hebben uitgelezen. Blekxtoon: ‘Ik ben van '34 en dat maakt het natuurlijk nog spannender allemaal. Mijn niet al te vrolijke indruk over B. werd er in bevestigd maar wat ik goed vind is dat U hem niet /als persoon /verkettert.’ Van der Laan: ‘Vooral de aanwijzing over het slagveld toerisme vond ik goed. Trouwens Bernard was niet de enige die zich daar schuldig aanmaakte ook de zoons van Churchill konden er wat van.’ Eef Sterk schreef na het boek te hebben dichtgeslagen: ‘Zelden (eigenlijk nooit ) een zo onderhoudende, gedetailleerde en bijzonder prettig lezende biografie onder ogen mogen hebben. Ik zal het boek een ieder die het horen wil aanraden. Driewerf chapeau!!!!’
Ingrid van der Gaag maakt melding van de verkeerde dateringen van de foto’s op blz 196 en 248: ‘beide foto’s van Talle, Aschwin en Bernard zijn gezien hun kleding en de achtergrond (rijtje stenen) op dezelfde plaats en tijd genomen. Op blz 196 staat begin 1933 en op blz 248 zomer 1936.’ Ook Theo Conijnse uit Ede voegt aan zijn complimenten de nodige correcties met betrekking tot spelling toe, met daarbij de verzuchting: ‘Vergeeft u mij de schoolmeesterachtige neiging tot verbeteren, die ikzelf zie als beroepsdeformatie.’ Evert Landré uit Huizen wijst ons op enkele historische onjuistheden: ‘Voor het overige vind ik dat u een fantastisch boek hebt geschreven; ik heb bewondering voor uw graafwerk en voor het resultaat met indrukwekkend fotomateriaal.’
Wim Adriaansen heeft Bernhard met belangstelling gelezen, maar oordeelt: ‘het verhaal is wel erg negatief over de prins. Hij verdient mijns inziens beter.’ Ook Mitsai van de Horst had moeite met de kritische benadering van het onderwerp, al verdween dat naarmate ze verder las: ‘In het begin werd ik wat bozig, omdat u een held van me ‘aanpakte' maar nu ben ik juist dankbaar dat er dingen opgehelderd zijn, en hij ook maar een mens blijkt te zijn geweest. Hartelijk bedankt, en ik kijk erg uit naar de verfilming van mijn lievelingsboek ooit, Sonny Boy.’
Petra en Eddy Veen woonden een lezing van Annejet in De Bildt bij en ervoeren het als ‘een hartverwarmende gebeurtenis..’ ‘Het enige minpuntje betrof in onze optiek het gedeelte na de pauze. De vragen uit de zaal gingen vrijwel uitsluitend over de persoon Bernhard, terwijl wij vrij naar haar eigen motto in dit verband vooral benieuwd waren naar het antwoord op de vraag ‘What makes Annejet run?’ Haar vertelling smaakte naar meer en dat kwam er op deze manier helaas niet helemaal uit. Net als zijzelf zijn wij niet direct geïmponeerd door de hoofdpersonen uit haar boeken, maar wel naar de boeiende levensgeschiedenissen die zij ontrafelt.’
Theo Geurst schrijft: 'Juist de laatste bladzijde omgeslagen van het boek Sonny Boy. Als 80-plusser, die de oorlog in Den Haag heeft meegemaakt, ben ik onder de indruk van deze geschiedenis. Hiermee wil ik mijn respect betuigen voor de manier waarop Annejet van der Zijl dit boek heeft geschreven en haar doorzettingsvermogen tijdens haar zoektochten door vele documenten en langs diverse getuigen. Hulde!'
Annejet Lont (14) las Sonny Boy en schreef aan Annejet: “Mijn vriendin Jolinne, die ook 14 is, en ik hebben aankomende maandag onze boekbespreking. We hebben er veel zin in. (..) We vonden uw boek echt supermooi om te lezen. Apart en zo anders dan al die snelle doorlezers die we normaal lezen. We moeten veel dingen uit uw boek halen, zoals spanningsopbouw, wat nog best ingewikkeld is. Het enige wat wij konden vinden was de hoop. De brieven die Rika en Waldemar naar het thuisfront schrijven, zitten vol hoop dat ze over een maand wel vrij zullen zijn. Deze brieven zijn bijvoorbeeld geschreven in februari 1944, wij weten dat de oorlog nog bijna anderhalf jaar zou duren. Ook moesten wij motieven zoeken, we hebben onder andere het motief water gevonden, dat komt zo vaak terug. Nou, wij zijn super benieuwd naar de verfilming! Succes en we mailen ons cijfer nog wel even!h
Een week later mailde Annejet dat zij en haar vriendin als cijfer maar liefst een 8.3 hebben gekregen voor hun boekbespreking.
Cynthia Kenswil-Johanns schrijft: ‘Ik ben een Surinaamse vrouw, 62 jaar oud en woon in Suriname. Ik heb mij zo vaak voorgenomen om je mijn oprechte complimenten over te brengen voor je prachtig boek Sonny Boy. Ik (…) heb het al drie keer gelezen en vaak haal ik het weer tevoorschijn om stukjes te herlezen. Het verhaal heeft mij ontzettend aangegrepen en ik voel het verdriet dat de kleine Waldy heeft gehad. Ik vind het prachtig dat Waldy is gezegend met kinderen en kleinkinderen, zoals ik op internet heb kunnen lezen. Ik heb ook ontdekt dat er een feestuitgave komt met meer foto's en nieuwtjes. Vanzelfsprekend ben ik er weer snel bij voor een exemplaar.’
Ab Borg schrijft: ‘Annie werd bij mij in 1957 door mijn wereldwijze oom geïntroduceerd via De Lapjeskat: alsof er een wereld openging. Zo ontwapenend leuk, ook al werd van mij verondersteld, op die leeftijd van tien jaar, mij niet meer met die kinderversjes in te laten. Een normaal gesproken zekere besmuiktheid werd echter door Annies toegenomen populariteit snel ingehaald. Onze kinderen zijn we er schaamteloos in voorgegaan. Zij vinden het nu vanzelfsprekend. Wat een verdienste om door generaties heen de door haar aangevoelde en bevochten echtheid zo nabij te brengen. Hartelijk dank om me daar weer eens indringend bewust van te zijn geworden.’
Anja Auer over Anna: ‘Wie van mijn generatie kreeg NIET iets mee van Annie M.G.? Ik won nog eens een derde prijs op een declamatiewedstrijd met een van haar gedichtjes ('dwangdeelname' vanuit school...). Opgroeiend in de jaren 60 en 70 kon een confrontatie met het werk van deze verzen-en-verhalen-genius, zijdelings of frontaal, eenvoudig niet ontlopen worden. Gelukkig maar! Al had je natuurlijk geen idee over de persoon van de schrijfster, een mevrouw met krullen en een uilenbril. Wat een geluk dat Annejet haar baan opzegde en zich twee jaar op een stille zolder terugtrok. Wat heb ik genoten van de kennismaking met Annie en haar leven. De treffende tijdsbeelden en de (denk)wereld van Annie M.G. daarin: meesterlijke balans. Een gave om iemand zo te kunnen portretteren. Net zo ontroerend als informatief. Prachtig dat er een tv-serie komt... maar ik hou m'n hart vast. Ik kijk in ieder geval uit naar het boek over Bernhard.
Sebelia van Oosten schrijft: ‘Mijn tante, de jongste zuster van mijn moeder en 94 jaar oud, en ik hebben kort geleden Sonny Boy gelezen. Bij het begin van het boek al, zei mijn tante: ‘Waldy Nods??? Die heb ik gekend! Ik heb samen met hem gekorfbald in Kijkduin!’ Dat moet geweest zijn in 1929, Waldy woonde net in de Azaleastraat en mijn tante was toen vijftien of zestien jaar. Zij was lid van een korfbalvereniging in Delft, maar er waren vaak uitwisselingen met de club in Kijkduin. Ze herinnert zich naast hem op de bank gezeten te hebben. Ze keek erg naar hem op, omdat hij zo’n ‘keurige jongen’ was. Ook kende zij de familie Chardon, dus ook Kees, de verzetsman die gefusilleerd werd. Ook dat feit weet ze nog goed. Ik heb overigens zelf Sonny Boy in één adem uitgelezen! Ongelooflijk indrukwekkend!’
Dorien Timmerman was erg geraakt door Sonny Boy: ‘Wat een prachtig boek! Bij de beschrijvingen van Rika's ervaringen in kamp Vught schoot me het verhaal van Corry ten Boom te binnen. Misschien is dit je bekend, volgens mij moeten Rika en Corry in hetzelfde transport van Vught naar concentratiekamp Ravensbruck hebben gezeten. In haar boek 'De schuilplaats' vertelt Corry haar verhaal en dat vertoont heel veel overeenkomsten met het verhaal van Rika. Het schrille contrast tussen het prachtige landschap wat de vrouwen doorlopen als ze uit de trein komen is vergelijkbaar (pag. 218/219, De Schuilplaats)en de eensgezindheid onder de Vught-vrouwen. Ook werkt Corry aanvankelijk in de ‘Siemens-ploeg’. Corry overleefde het kamp maar haar zus Betsy niet.’
Koos Schipper zocht naar aanleiding van het boek voor de stichting Oud-Hoogkarspel Bep Ooteman op, dochter van de familie waar Waldy in het laatste oorlogsjaar werd ondergebracht. Zij vertelde hem: ‘In de hongerwinter van 1944-1945 kwamen er ondervoede kinderen uit de stad naar Hoogkarspel. Zo kregen wij een jongen uit Scheveningen in huis. Zijn vriend Waldy was ergens anders ondergebracht in het dorp. Het liep daar niet zo lekker en toen vroeg hij of Waldy bij ons mocht komen wonen. We hadden ook twee onderduikers, maar moeder zei: ‘Er kan er nog wel eentje bij’. Bij ons thuis was er voldoende te eten. Mijn broer Klaas had namelijk een tuindersbedrijf. Ik weet nog goed dat de mensen in de buurt Waldy een vreemde jongen vonden. Natuurlijk kwam dat door zijn donkere huid, maar ook omdat hij gewoon anders was dan de kinderen uit het dorp. Hij was veel drukker. Waldy was nog maar vijftien jaar maar qua ontwikkeling was hij duidelijk verder. Het klikte heel goed tussen ons. Met Waldy kreeg ik er een broer bij die in mijn wereld paste. Dat gold ook voor hem. Hij zei meermalen tegen mij: “Bep, jij bent mijn zush. Ik heb vorig jaar van Waldy het boek Sonny Boy kado gekregen. Er staat geschreven:
4 oktober 2006
Lieve Bep en Piet,
Sinds 1944-1945 zijn jullie mijn onvergetelijke familieleden.
Dit boek vertelt het begin van alles!
Waldy ‘Sonny Boy’ Nods
Simone Ruitenberg te Werkhoven las Sonny Boy en Anna en voelde zich door de boeken meegenomen naar de wereld van de personages. ‘Voor even ben ik helemaal in een andere tijd en intieme getuige van het leven van de hoofdpersonen. Mijn vader is van de leeftijd van Sonny Boy en leefde in dezelfde tijd in Scheveningen. Met hem bezocht ik het huis aan de Zeekant en kon ineens iets meevoelen van mijn vaders leven in die jaren. Ik begreep waarom mijn vader toen zo van Scheveningen hield en het nu zo verpest vindt. Bedankt daarvoor. Het is heerlijk om zo te kunnen lezen!’
Frankje Dirken-Alexander schrijft: ‘Sonny Boy kreeg ik vorige maand cadeau en heb het praktisch achter elkaar uitgelezen. Ik was er totaal niet op voorbereid en er dus ook goed van uit mijn doen. Hier stond n.l. zwart op wit het verhaal van mijn schoonvader wat ik gehoord heb in 1994 in Wöbbelin op de begraafplaats aldaar. Marinus Dirken ligt daar begraven. Het is vooral zo bijzonder voor mij, omdat er over deze man nooit gesproken mocht worden. Na het overlijden van mijn schoonmoeder en het vallen van de muur hebben wij pas de eerst inlichtingen over hem gekregen, die daar in W. compleet werden. In 1996 is mijn man overleden dus hij kan dit verhaal van u jammer genoeg niet meer lezen. Maar ik vind het een fantastisch boek, ben er heel blij mee en ben U heel dankbaar voor de inspanningen die U zich getroost hebt om dit boek te kunnen schrijven.’
‘Ik ben de huidige eigenaar en bewoner van het pand aan de Spoorsingel 28 in Delft, het pand dat o.a. figureert in Sonny Boy. Schitterend boek, overigens!’ schrijft Chris Vervoort uit Delft. ‘Door mijn historische interesse ben ik contact gekomen met de zuster van Kees Chardon, en heb haar, mevrouw Margreet de Bruin-Chardon zondag jl. hier op bezoek gehad. Een bijzondere vrouw, en een dierbaar en fascinerend bezoek voor mij, en ook voor haar, vermoed ik. Ook heb ik een mijnheer de Boer hier op bezoek gehad, wiens zuster en ouders hier gearresteerd waren (ik meen) op de dag nadat de inval bij de familie Chardon had plaatsgevonden.’
Vervoort verzamelt momenteel zoveel mogelijk informatie over de activiteiten van de groep Chardon en is van plan de herinnering aan 'de kleine advocaat' middels een plaquette levend te houden. Margreet Chardon (79), de laatste nog levende zuster van Paul Chardon, helpt hem zoveel mogelijk informatie te achterhalen. Tegen de Delftsche Courant zei ze onlangs:
‘Ik wil zo graag weten hoe het is afgelopen met de mensen die wij in huis hebben gehad en die via Kees op onderduikadressen zijn ondergebracht.’ Een lastig opgave. Velen zullen de oorlog niet hebben overleefd, anderen zijn inmiddels een natuurlijke dood gestorven. Een aantal is geëmigreerd naar Israël. Maar er is nog een probleem: de onderduikers voerden een valse naam. ‘Hoe ze echt heetten, wisten we nooit. En waar ze naartoe gingen? Er werd zo min mogelijk opgeschreven. Ik heb zelf ook wel geld en bonnen rondgebracht, maar ik wist nooit wie die mensen waren. Ik kan me alleen nog een kindje met een klompvoetje herinneren in de Hugo de Grootstraat.’
Inmiddels zijn er aantal namen van onderduikers bekend, onder wie die van Rob Hompes, Iep van Praagh en Maurits Stork uit Gouda. De laatste overleefde de oorlog doordat Chardon hem een onderduikadres bezorgde in het St. Joris Gasthuis. Hij ging daar als broeder Van Goor door het leven. Inmiddels is hij overleden. Rob Hompes, die in juli ’43 als paar maanden oude baby in Delft terecht kwam, leeft nog. Chardon regelde een onderkomen voor hem bij de Delftse familie Jongeleen, waar hij opgroeide als Louis Jongeleen. Na de oorlog ontwikkelde hij zich als steunpilaar binnen de liberaal-joodse gemeenschap. Hij woont tegenwoordig in Wassenaar en is graag bereid Margreet Chardon te ontmoeten. ‘Dat is het minste wat ik kan doen. Ik heb mijn leven aan haar broer te danken,’ zei hij tegen de DC.
Ook de identiteit van het meisje met het klompvoetje is dankzij een oproep in de krant nu bekend. Zij heette Sara Dresden en was de dochter van Samuel (Sem) Dresden en Racheltje (Koosje) Levit, die in januari 1943 werden opgepakt. Hun zes weken oude baby lieten ze bij hun buren in Amsterdam achter. Deze vonden het te gevaarlijk om haar te houden, en brachten haar naar de Amsterdamse Joodsche Crèche, tegenover de Hollandsche Schouwburg. Ongeveer 600 kinderen zijn door het verzet uit die crèche weggesmokkeld naar onderduikadressen. Sara was een van hen. Ze werd eerst ondergebracht in de Wieringermeer en kwam vervolgens via Kees Chardon bij Willem Venselaar in Delft terecht. Daar heeft ze haar verdere jeugd doorgebracht,want haar ouders keerden niet terug. Haar pleegouders lieten haar rooms-katholiek dopen: Maria Jozina Wilhelmina Antonia Francisca Helena, roepnaam: Sonja.
Stella Mendels (80) uit Amsterdam kreeg Sonny Boy voor het eerst in handen omdat haar kleindochter het aan het lezen was. Tot haar verbazing kwam ze op pagina 142, waar de inval bij de familie Chardon op de avond van 18 januari 1944 wordt beschreven, de naam Betty Springer tegen. Dit twaalfjarige meisje – 'reuze begaafd kind, maakt zelf gedichten' zoals Paula Chardon noteerde – was één van de Joodse onderduikers die toen opgepakt werden.
Mevrouw Mendels: 'Ik kende Betty goed, omdat haar moeder de beste vriendin van mijn moeder was. Ze had ook nog een broer, Dries, anderhalf jaar ouder dan zij. Hun vader was vlak voor de oorlog overleden en haar moeder is toen weer als verpleegster gaan werken. Betty en Dries zijn toen tijdelijk in het Joodse Weeshuis ondergebracht. Later in de oorlog zijn ze met z'n drietjes bij mijn moeder en mij komen inwonen. Betty was een jaar of elf - drie jaar jonger dan ik, een tenger meisje met een heel fijn, serieus gezichtje. Ze was rustig en altijd met gedichtjes en verhaaltjes in de weer. Dries was ook een serieuze jongen, maar wat nerveuzer door alles wat hij had meegemaakt.
'Op een gegeven moment zijn we allemaal ondergedoken in het Gooi. Dries en ik zaten bij dezelfde familie, maar mijn moeder vond het een gevaarlijk adres en heeft me daar toen weggehaald. Drie weken later was er inderdaad een inval en is Dries meegenomen. Hij wist waar Betty zat, en daarom hebben ze haar voor de zekerheid een paar dagen naar Delft gebracht. Maar ja, daar bij de Chardons was toen net die inval, en ze zijn beiden naar Westerbork getransporteerd. Met het bekende gevolg. Hun moeder heeft de oorlog wel overleefd en kwam na de bevrijding bij ons inwonen. Ik herinner me nog hoe ze zich de vreselijkste verwijten maakte dat ze de waarschuwing van mijn moeder over Dries' adres in de wind had geslagen, en hoe ze niet met mijn verjaardag geconfronteerd wilde worden, dat herinnerde haar te veel aan de verjaardagen die haar kinderen niet meer konden vieren. Later is ze hertrouwd met een man die Auschwitz overleefd had en heeft nog een stel relatief gelukkige jaren gehad. Maar is nooit helemaal over de dood van Betty en Dries heen gekomen.'
Peter Willemsen schrijft: 'Ik heb Jagtlust in één adem uitgelezen. Vooral omdat ik het huis ken vanuit mijn eigen verleden. Korte tijd had ik op mijn 11e of 12e een kalverliefde met de dochter van projectontwikkelaar Brandts ... ze was mijn klasgenootje op de Larense Montessorischool. Mijn eerste zoentje -keurig op de wang hoor- kreeg ik van haar op de zolder van Jagtlust. Een onschuldig contrast met wat zich in de jaren daarvoor op Jagtlust afspeelde, realiseer ik me pas na het lezen van je boek. De geschiedenis van dit prachtige huis kende ik verder niet, totdat mijn uit Amsterdam afkomstige achterbuurvrouw met Jagtlust in de hand bij me kwam binnenvallen en vroeg of ik als Gooier het huis op de omslag misschien kende... natuurlijk kende ik het!'
Marja Boverhuis-Godijn schrijft na lezing van Sonny Boy: 'Ik was diep onder de indruk. Wat moet dat een enorm werk geweest zijn om al dat onderzoek te verrichten. Mijn schoonvader is 16 juli 1944 gefusilleerd en heeft veel in het verzet gedaan onder Gerrit Jan van der Veen. Door de verhalen, die ik hoorde over het verzet en de impact, die dit alles had op de psyche van mijn man, heb ik ook wel eens gedacht om als een soort eerbetoon aan zijn vader, een biografie te schrijven over zijn veel te korte leven. Maar ik zou niet weten, hoe dit aan te pakken. Maar zo zullen er nog veel geschiedenissen ongeschreven blijven. Wat een goed gevoel moet dit boek geven aan de mensen, die zo nauw verbonden zijn met Rika en Waldemar. Heel mooi.'
Mevrouw Lilian van der Wilde uit Breda – gedurende haar Gooise jeugd bekend als 'Popje Sikkens – schrijft naar aanleiding van Jagtlust: '... alles was zó herkenbaar – àl die namen, onder andere Heintje en Fritzi met wie ik op de Gooise School zat, waar mevrouw Testats ons in de kleuterklas leerde boetseren en zo. Ik ruik nóg die heerlijke lijmgeur als je de klas inkwam.' Na de oorlog kreeg zij een baan op de documentatie van Het Parool, onder een zekere juffrouw Schmidt die ze later in Anna weer tegenkwam: 'Annie M.G. was een schat, het werk stomvervelend en als ik soms insliep knipte een jongeman een stuk van mijn toen nog blonde krullen. Annie M.G. was vol medeleven.'
De heer Johannes Vloemans in het verre San Francisco kreeg een exemplaar van Sonny Boy toegestuurd door zijn broer uit Den Haag.
Hij schrijft dat zijn ouders goed bevriend waren geweest met Rika die ze in de jaren twintig voor het eerst met haar eerste man ontmoetten in Den Bosch: 'Mijn vader, een typische Brabander ,een extrovert met een sterk gevoel voor humor en een cholerisch temperament, was meteen weg van Riek, die ook een extrovert was met een groot gevoel voor humor.' In de dertiger jaren ontmoetten ze Riek met haar nieuwe gezin, en ging Johannes wel eens bij ze langs op de Gevers Deynootweg: ' Daar was een empty lot beneden langs het gebouw, en daar had Waldy twee hokken met een konijn er in. Hij was zo trots. Hij was een carbon copy van zijn vader, de zelfde donkere huid en donkere ogen. Hij was een schat van een kind.' Later vond hij in de nalatenschap van zijn moeder een paar door Rika beschreven vellen: 'Riek had twee horoscopen geschreven, een aan pa en een aan ma om hen geestelijke steun te geven.Toen ik die las had ik tranen in mijn ogen want dat was in 1936 toen we op het punt stonden op straat te worden gezet.'
De heer Vloemans memoreerde het verdrietige einde van 'Oom Waldi' in 1990 in een brief die de San Francisco Chronicle op 23 april van dat jaar publiceerde: It is 45 years ago today that the worst maritime disaster took place in the Baltic sea. Some 9000 concentration camp inmates evacuated from various camps in the path of the advancing allied armies, were jammed into the holds of three ships.One of these was the 27,500 ton Hapag liner Cap Arcona.Out at sea they were they were spotted by a flight of British typhoons, the crews of which were unaware of the human cargo. All three ships were attacked and sunk The Cap Arcona carried a good friend of ours who paid the price for having sheltered Jews in the Hague.
Een paar dagen publiceerde de krant een reactie van een zekere John May Benica:
I read the letter from J.S.M. Vloemans regarding the three ships loaded with concentration camp victims,which were set on fire and sunk in World War 2.We were British army reconnaissance troops advancing up the Baltic coast road.I saw what appeared to be a giant fireplace grate.(it was the frame of a ship silhouetted against the flames). Overhead Typhoons were firing rockets at the three ships. Later we hauled survivirs out of the water, blackened and burned, then found out what had happened. We were told they had atttempted to show white sheets or cloth to the planes, but the Germans shot them. Vloemans en Benica ontmoette elkaar kort daarop en '... he recounted the horrors.He had tears in his eyes.' Het toeval wilde dat de brief aan Chronicle ook gelezen bleek te zijn door Benica's dochter, die hij al dertig jaar niet meer had gezien en die zo het spoor naar haar vader terugvond. Zoals de heer Vloemans besluit: 'The ways of the Lord are impenetrable.'